Ja, inderdaad, dat weet u al: zo af en toe zijn ze knettergek, die twee viervoetige huisgenootjes van me. Het is nog altijd zalig om ze bijvoorbeeld met ongeziene energie en geestdrift, en met ongelofelijk zotte spurtjes en sprongen, op volledig onzichtbare prooien te zien jagen. Of om ze samen buitelend en tuimelend door élke kamer heen 'tikkertje' te zien spelen -eigenlijk zou 'tackeltje' een betere benaming zijn-, tot de pluche in 't rond stuift. De geconcentreerdheid van Pompon met z'n voetbal, da's ook af en toe totaal mesjogge. En de snuiten die Poekie kan trekken als hij mij zogezegd stiekem zit te bestuderen, echt prettig gestoord, als ge 't mij vraagt. Maar, over dat geknetter hier in huis wou ik het nu eigenlijk eens niet hebben, zie.
Neen, ik laat u graag even mee gniffelen om de hilarische gevolgen van de aanhoudende vrieskou... Wij zijn hier namelijk nogal behoorlijk 'geladen' tegenwoordig! Alles hier is totaal in de greep van de statische elektriciteit. En dan bedoel ik ook écht álles: ikzelf, de huisraad, de meubelen, tapijten en gordijnen, zelfs de planten en bloemen volgens mij,... en uiteraard ook de twee katertjes Poekie en Pompon.
Alle dagen kijk ik met verbazing naar weer nieuwe verrassende effecten. De glasgordijnen blijven tegen de vensters kleven. De franjes van de gordijnkwasten, de oudroze 'flochen', plakken als wijd opengesperde handjes met duizenden vingertjes tegen de overgordijnen. Verse, net droge was uit de droogkast is niet zonder luid geknisper en geknetter van elkaar te trekken, en aan de knuffeldekentjes uit de sofa is zelfs geen beginnen meer aan, da's ondertussen gewoon een bijzonder pijnlijke affaire geworden. Gebruiksvoorwerpen uit metaal zou ik om dezelfde reden ontzettend graag voor een tijdje ergens ver uit m'n buurt opbergen, maar omdat ik ze voor dat opbergen ook zou moeten aanraken... tssss... u begrijpt wat ik bedoel. Het lukt me zelfs om pijnlijk elektrisch contact te maken met de gootsteen als hij vol afwaswater zit! Maar de vele kleine witte lichtflitsjes, 's nachts in het pikkedonker van de slaapkamer, veroorzaakt door mijn 'geladen' gedraai en gewoel tussen lakens, kussens en dekbed, die vind ik uitermate fascinerend.
M'n haar moet de laatste dagen altijd in een staartje, anders wordt het aangezogen door het computerscherm, of de frigo, of de kookpot. Als ik van buiten kom en m'n muts af doe, en m'n haar was niet bij elkaar daaronder, dan loop ik een heel aantal minuten met een enorme 'coupe ontploft' rond waar menig clownskapsel nog een lesje van kan leren. Bij het opstaan uit de knusse zetel blijven met regelmaat een hele rits fleeche dekentjes als een soort onelegante sleep aan mijnen derrière hangen, tot groot jolijt van de poezen die er meteen een spelletje in zien natuurlijk, of wat had je gedacht. Te pas en te onpas ben ik in de keuken m'n droge schotelvodden en handdoeken kwijt... omdat ze aan één van m'n ellebogen of heupen zijn blijven plakken in 't voorbijkomen. Zelfde verhaal in de badkamer trouwens, met washandjes en ondergoed. Het douchegordijn komt me heden ten dage gewoon al van ver tegemoet... Iets oprapen van het tapijt heeft steevast een stevig gilletje als gevolg, de blauwe bliksemschichtjes schieten letterlijk uit m'n handen. Stofzuigen zal ik voorlopig dus nog maar even laten... met al die extra wrijving, ik moet er niet aan denken.
En tussen al die geladenheid lopen hier dus die twee harige poezenbeestjes rond, en die hebben het ook geweten! Poekie, die op elke doodgewone dag sowieso al zoveel deugd heeft met zichzelf over de tapijten heen en weer te wrijven, knettert er vrolijk op los als hij van tussen mij en de kussens van de sofa glijdt. Hij maakt me 's nachts ook geregeld wakker door aan m'n neus te komen snuffelen, met steeds een paar kleine blikseminslagen als gevolg. Maar zo te zien vindt hij het eerder leuk dan vervelend, want eenmaal er iets geknetterd heeft hij blijft het opnieuw en opnieuw uitproberen, die kleine onderzoeker van me!
Gisteren was ik de sokken kwijt die op de lavabo klaar lagen om aan te trekken na het douchen. Even later zag ik onze Poekie-man parmantig op z'n hoge pootjes voorbij flaneren, elegant als een model op de catwalk, met aan weerszijden een zwarte sok tegen z'n lijfke geplakt! Geen enkel probleem voor hem, zo te zien. Vermoedelijk had hij het zo eindelijk ook nog eens écht lekker warm. Wie weet. De gekkerd.
Juist knuffelen met mij, da's andere koek. De hele dag lang komen beide poezen, zoals altijd, naar me toe, gezellig bij me liggen en vragen voor aaitjes over hun bol, heel gewoon, dagelijkse routine. En even vanzelfsprekend en zonder verder nadenken gaat mijn hand dan uiteraard hun richting uit... en, au au au, breekt er een hels geknetter los. Je ziet de vonken werkelijk overspringen! Poekie wrijft of likt dan eens over het pijnlijk plekje en is oké. Pompon schrikt zich nog elke keer een ongeluk, is echt doodsbenauwd,... en komt voor z'n schrik en pijntje naar goede gewoonte bij mij troost zoeken... om bij de minste aanraking een nieuwe lading pijnlijk geknetter over zich heen te krijgen, ocharme. Pompon's haar is veel langer en zachter dan dat van Poekie. Vermoedelijk heeft hij daardoor veel meer last van al die geladenheid. Af en toe ziet hij er uit als een veel te warm gewassen en opgeblazen bol pluis op vier voetjes, zo met elk haartje van z'n vacht naar alle kanten overeind. Pompon vindt het ook maar niks dat plots z'n favoriete slaapdekentje hem overal achtervolgd en geen enkel anders zo knus en veilig poezenmandje nog vrij van een mogelijke elektriciteitsaanval is. En toen z'n favoriete voetbal aan z'n achterste bleef hangen, toen was 't kot pas echt te klein voor meneerke Pompon zijn paniek. 'k Heb zo met hem te doen. Gelukkig lukt het meestal wel om hem een pijnvrije aai te geven als ik met m'n blote voeten op de ijskoude stenen keukenvloer sta.
Verder heb ik inmiddels zowat álles geprobeerd om die statische elektriciteit een beetje te temmen: luchtbevochtigers, verstuivers en sprays, smeren van handcrème, veiligheidsspelden en aluminiumfolie op kleding en stoffen, verschillende keren per dag met een half natte dweil over vloer en tapijten... 't Helpt geen ene moer. We zullen geduld moeten oefenen tot het weer wat warmer wordt, en vochtiger. En in afwachting is het best grappig om misschien nog meer ongekende en ongewone 'gevolgen der geladenheid' gewaar te worden en te genieten van het extra knettergekke gedoe van mijn twee knisperende knetterkatjes. ;-)
"Hoe is het in 's hemelsnaam mogelijk dat ik dát niet meer weet!!!" dacht ik in eerste instantie uitermate verwonderd, en een beetje lachend met mezelf. Alsof ik niet alleen totaal vergat hoe te moeten ademen, maar op de koop toe blijkbaar ook al erg lang m'n adem volledig in hield!...
De alweer hemelse repetitie, ondanks de diepvriestemperatuur van de kerk, met organist Peter Maus, voor de concertmis van vorige week zondag bracht me even compleet van m'n stuk: het overviel me volkomen hoe plots m'n hele lichaam weer vol zuurstof stroomde, en daardoor ook weer vol leven. Hoe ineens elke vezel van mijn lijf mee begon te jubelen op de tonen van de indrukwekkende muzieklijnen van onze geliefde Wagners en Straussjes die, alsof het maar niks is, weer als vanouds, bijna uit zichzelf uit m'n strot stroomden, zorgeloos vrolijk dansend op de wolkjes van mijn adem de met ijslucht gevulde enorme open ruimte van de kerk in. Het was als een heerlijk thuiskomen in mezelf, een 'mezelf terugvinden', voor heel even los van en ver verheven boven de donkere diepte van de depressie.
Zingen is ademen, zingen is leven! En hoe was het dan in godsnaam mogelijk geweest dat ik zulke, voor mij, levensbelangrijke informatie ergens in een vergeethoekje opgeborgen had?!
Bij de concertmis zelf, twee dagen later, zondagochtend, 'ademde' er iets al een beetje minder... Het voelde wat benepen eigenlijk. En later die dag viel mijne frank -allé mijnen euro tegenwoordig, hé- over het waarom.
Er blijft nog zo verschrikkelijk weinig over van die sowieso al minimale zangcarrière van mij. Die enkele keren per jaar dat ik nog eens ál m'n registers kan en mag opentrekken zijn steeds schaarser, en daardoor ook heel erg dubbel. Uiteraard ben ik dan meer dan dolgelukkig, elke keer weer. Uiteraard ademt heel mijn zijn dan nog eens volop. Maar 't is ook altijd zo ontzettend verdrietig omdat er eigenlijk nooit ergens een vervolg aan komt en er tussen elke zangmoment oeverloos veel tijd verglijdt...
En natuurlijk is het fenomenaal fijn om na zo een concertmis bij pot en pint van mensen 'uit het vak', mensen die 'het kunnen weten', te mogen horen dat je potverdorie écht wel een serieus stukske kunt zingen, en je een zeer uitzonderlijk talent en orgaan bezit. Maar daar heb ik nu, in deze fase van m'n leven nog zo verschrikkelijk weinig aan, hé. Ja, als dramatische sopraan, met een straf instrument dat zowat álles overleeft -echt, ge kunt het u zo gek niet bedenken- heb ik, meer dan de andere zangstemmen, het potentieel om op m'n 80ste nog steeds met verve de zwaarste klassieke aria's ten beste te geven, maar wie heeft daar boodschap aan? Ik zou het echt niet weten.
Afgelopen zondag werd ik door een lieve vriend getrakteerd op een voorstelling van 'La Bohéme' van G. Puccini, rechtstreeks live vanuit The Met in New York, geprojecteerd op één van de grote schermen in Kinepolis. En extra boeiend met uitgebreide uitleg, plezierige interviews met de vedetten en ook steeds een volledige weergave van elke decorwissel. La Bohème is een opera waar ik zelf erg fijne herinneringen aan heb als koorlid bij de toenmalige Vlaamse Opera. En ik heb intens van die voorstelling afgelopen weekend in de cinema genoten, maar in het donker van de zaal rolde er menig traantje onopgemerkt in stilte over m'n wangen. Want daar voor me, daar vooraan op dat witte doek, zag ik nog een keertje die wereld waar ik me nog steeds het meest thuis voelde, waar ik al zovele decennia totaal geen deel meer van uit maak, en waarnaar ik vermoedelijk ook nooit meer terug zal keren...
Dus, puur uit zelfbehoud, om mezelf van immense pijn en verdriet te behoeden, berg ik op al die vele dagen, die vele lange weken en maanden dat er niets te zingen valt, zowel bewust als onbewust dat 'ademen' ergens diep in mij weg, veilig en ongezien in één of ander vergeethoekje. Dan regeert m'n zoveel meer introverte kant. Dan is alles in mijn wereld ingetogen en stil, weken lang. Dan schrijf ik, alleen, thuis, met slechts de poezen, de planten en de geluiden van de tuin en het gebouw om me heen. Maar dat kan ook heel erg mooi zijn. En o ja, wees gerust, binnen in mij weerklinken er hele dagen duizend-en-één liedfragmenten, maar het occasionele nootje dat me op die dagen al eens neuriënd ontsnapt bij de afwas of onder de douche, dat komt uit een totáál andere wereld -ze konden niet méér verschillend zijn- dan die van 'de grote klep'...
En toch. 't Kan erg snel keren. Geef me één kleine aanleiding om te zingen en de sluisdeuren met lucht vol muziek en zang zwaaien wijd open, met een ware vloedgolf van alle mogelijke kleuren en klanken. En alleen dat kleine beetje buiten adem zijn, het af en toe nét niet toekomen op het eind van een zin -wat zelfs m'n meest vertrouwde fans en doorwinterde begeleiders, zij die mij als zangeres echt door en door kennen, niet eens opvalt- verraadt dat ik weken-, misschien zelfs maandenlang niet één écht zanglijntje ten beste gaf...
Het is een geruststelling, het is een bijzonder fijne geruststelling besef ik nu. Zelfs als ik voor m'n eigen dagdagelijkse levenscomfort het 'ademen' tijdelijk -voor korte of lange tijd- ergens diep in me opberg, weet ik wél dat 'het' er áltijd nog is, klaar om, indien nodig of gewenst, in al z'n formidabele grootsheid, inclusief decibels en boventonen, feestelijk juichend los te barsten. Als je dat kleine beetje gebrek aan conditie over het hoofd wil zien, uiteraard. Dus, blijven oefenen met ademen, hé, altijd blijven oefenen met ademen!... ;-)
Gisteren was een dag van een 'eerste' en 'laatste'. Ik zong voor het eerst in m'n leven -alleszins toch voor zover ik mij herinner- de Ave Maria van Bach-Gounod niet live begeleid, maar met een kant en klare, vooraf opgenomen pianobegeleiding. Dat was toch echt wel effe wennen. En dit primeurtje werd meteen een allerlaatste kadootje voor Laura. Een postuum geschenkje, want ik mocht gisterochtend nog een laatste maal voor haar zingen, ter gelegenheid van haar definitieve afscheid van deze wereld.
Er zijn zo van die mensen die je bijna onopgemerkt je hele leven met je mee neemt. Zoals Laura, want ze woonde, samen haar zoon Jefke, bij ons thuis om de hoek, op een dikke honderd meter van onze voordeur. Eigenlijk heb ik hen dus altijd al gekend. En vanaf de eerste dag dat zij mij een keertje solo hoorde zingen, vermoedelijk in de kerk, werd ze een opgetogen en erg trouwe fan. Zo vaak het maar kon kwamen ze samen naar me luisteren.
Ook afgelopen kerst zat ze nog tevreden te blinken op de eerste rij bij onze kerstshow. Breed lachend, verrukt luisterend, bezield meezingend... kortom intens en dankbaar genietend zoals alleen zij dat kon. En ik ben oprecht blij dat dit m'n laatste herinnering aan haar mag zijn, meteen ééntje om écht voor altijd te koesteren.
Maar 'k zal ook nooit haar knuffels vergeten. Laura kon je omschrijven als een 'grote' dame, niet alleen figuurlijk, maar zeker ook letterlijk. Makkelijk een kop groter dan ik. En ze was ook uitzonderlijk gul voorzien van 'oren en poten', zoals men dat zegt, of misschien duidelijker in 't Aaantwaarps: Laura was een madam 'mé ne wreêd groête komisveur'... Als zij dus met volle enthousiasme haar armen om mij heen sloeg en me stevig tegen zich aan trok, verdween ik, het minimadammeke -inderdaad, u ziet het nu helemaal voor u- bijna volledig in die reusachtige decolleté, met altijd, onvermijdelijk, heel wat gegiechel en een beetje ademnood tot gevolg. Maar 't zijn en blijven één voor één hele fijne herinneringen, die knuffels, en momenten die ik zeker zal missen.
In de dozen bijgehouden briefwisseling uit zowat heel mijn leven ook een heuse stapel met sublieme wenskaarten van Laura, die getuigen van heel veel uren met liefde creatief bezig zijn. Minuscule kleurrijke kunstwerkjes in piepkleine kruisjessteek, vaak mooi gecombineerd met perfect gedroogde echte bloemetjes en steeds onberispelijk ingekaderd in een fraaie bijpassende kaart. Onmogelijk om dit soort unieke knutselstukjes weg te gooien, geen denken aan. Misschien moet ik ze ooit maar eens achter glas omhoog hangen of zo...
Ergens in de vroege ochtend van zondag 28 januari 2018 wisselde Laura tijdens haar slaap stilletjes en onopgemerkt het tijdelijke voor het eeuwige. Aan het begin van dezelfde maand had ze nog haar 89ste verjaardag gevierd en grappend plannen gemaakt voor de 90ste, maar te merken aan dit zachte, doch zo onverwachte heengaan dacht iets daar blijkbaar anders over...
Dat we pas gisteren definitief afscheid van haar namen heeft een bijzondere reden: op 14 februari, de dag van de geliefden, exact 27 jaar geleden begroef Laura haar echtgenoot Frans, en zoon Jef had geen mooier en inniger gebaar kunnen bedenken dan hen dus op deze datum weer samen te brengen.
En dat deed hij dan ook nog eens met een uitzonderlijk ontroerende plechtigheid. Los van 'mijn' Ave Maria -ook uiterst gesmaakt door de aanwezigen, getuige de overvloed aan felicitaties- luisterden we ademloos naar vele, nog zoveel meer pakkende en beklijvende muziekstukken. Zoveel mooie woorden werden er gesproken, met waarheid, met wijsheid en ook met veel humor. We zagen de uitgebreide slideshow met ontelbare momentopnamen uit vooral de afgelopen jaren, met een gelukkige Laura, intens genietend van wat het leven haar elke dag nog bracht. Er was de sfeervolle aanwezigheid van talrijke bloemstukken, een piepkleine selectie van haar handwerkjes en haar puzzeltafeltje. En natuurlijk ontbrak ook haar immer vallende wandelstok niet, voor de gelegenheid geweldig keurig rechtop staan blijvend, tot nét op het allerlaatste moment, om dan met het vertrouwde gekletter tegen de grond te kwakken. Alsof ze het exact zo gepland hadden. Zalig, toch? Ik vond het alleszins schitterend en kon nog juistekes een hoorbare schaterlach onderdrukken.
De toespraak van Jef, over haar leven, en over hún leven samen al die lange jaren, over het wel en maar ook over het wee, over dankbaarheid en over gemis... die toespraak kneep menigeen totaal de strot dicht, denk ik. Ik had 't er alleszins wreed lastig mee, met die krop in de keel... (en 'k moest nog beginnen met zingen!...) Allemaal recht uit het hart, zonder spijtig schromen, zonder onnodig verbloemen, met welgemikte grappige sprankeltjes, en, geheel terecht, ongegeneerd overgoten door dikke tranen van bitter verdriet.
Jef heeft het goed gedaan. Niet alleen het in elkaar zetten van dit bijzonder waardige en ontzettend mooie afscheid, maar vooral het nakomen van z'n belofte aan z'n vader om goed voor z'n moeder te zorgen. Je kan gerust zeggen dat zijn hele leven -naast z'n geliefde werk- zowat volledig rond haar draaide. Samen op reis, op restaurant, concerten, eten, wandelen,... Zoals hij zelf zei: 'alsof ze al die jaren een echt getrouwd stel waren'. De enorme leegte die het heengaan van 'zijn moeke' in z'n leven brengt kan ik absoluut niet inschatten... Maar volgens mij zal ze, met de hulp van een handvol loyale en onvervalste vrienden, nog lang over hem blijven waken. Al is dat voorlopig misschien slechts een uiterst schrale troost...
Laura, ik weet zeker dat ik niet de enige ben die jou, je lach, je babbel, je gezelschap en zoveel meer ook zal missen en met dankbaarheid terug kijkt naar jouw leven, blij zijnde dat we jou hebben mogen kennen. Het ga je goed, waar je nu ook bent. En -wie weet- tot ziens aan de overkant, hé! ;-) Xxx
Wandelen als remedie tegen de depressie, het werd de afgelopen week al geopperd door goede vriendin Marleen, en eigenlijk had ik daartoe al ongemerkt de eerste stappen gezet. Ook letterlijk. Naar buiten gaan is lastig voor me, maar met een 'moet' als stok achter de deur, liet ik de fiets telkens thuis en verplichtte mezelf te voet te gaan, ongeacht de afstand, én er van te genieten. En al kon ik me dat, zuchtend m'n schoenen aantrekkend en mezelf met moeite in m'n jas hijsend, elke keer weer absoluut niet voorstellen bij de start van elke wandeling, het deed me -inderdaad, u wist dat al- ontzettend deugd.
Gisteren ging het vertrekken bijna als vanzelf: de zon scheen volop, slechts een piepklein briesje en een zeer aangename temperatuur. Ik had me geen beter kuierweer kunnen wensen dan dit, zo op weg naar m'n acupunctuursessie.
En omdat het schrille piepje in de ophanging van de toiletdeur de laatste tijd uitgegroeid was tot een overweldigend geknars en scherp gekerm -het 'Schurend scharniertje' van Jos Ghysen is er niks tegen- ging de vrolijke voettocht verder richting De Krak. Even een busje kruipolie kopen. Om te voorkomen dat men hier in het gebouw tot op het 14e begint te tellen hoe vaak op een dag ik een bezoek aan het kleinste kamerke breng...
En het zonnetje straalde nog steeds verrukkelijk toen ik tevreden met m'n aankoopje het magazijn verliet. Dus, lustig zwierend met het zakje, sjaal helemaal uit, jas een beetje los, flaneerde ik verder, met een mooie omweg en genietend van al wat er te zien viel, op m'n dooie gemakje huiswaarts. 'k Heb zelfs uitgebreid de tijd genomen om geïnteresseerd te blijven staan koekeloeren bij een indrukwekkende grote bouwwerf. En eenmaal thuis mocht de frisse lentelucht nog een uurtje of twee door de openstaande vensters zalig naar binnen stromen. Ondanks alle duistere rommel in m'n hoofd viel er slechts te besluiten -geen discussie mogelijk- dat ik, zij het met flink wat hulp van 't opgewekte lentezonnetje, oprecht van dit wandelen genoten had.
Vandaag moest ik ook de deur uit, op doktersvisite. En het leek wel of de zon gisteren al haar krachten verspeeld had en vanochtend geen ietsiepietsie moeite meer deed om nog uit bed te komen. De grauwe lucht en de plensende regen deden in niets nog denken aan de dag daarvoor. En zin om naar buiten te gaan krijg je er al helemaal niet van. Maar goesting of niet, het moest, dus ik ging. Zonder paraplu, want met die stevige rukwinden uit alle kanten heeft dat geen enkel nu. Wel een warme winterjas aan, dikke sjaal en handschoenen, en op m'n hoofd een stevig muts. En tot bij de huisarts bleek dat genoeg bescherming om nog enigszins toonbaar verder te wandelen. Netjes ingevulde ziekenfondsdocumenten op de post gedaan, in de supermarkt wat lekkers voor de poesjes en een glutenvrij broodje voor mij gekocht, en in een al zoveel onstuimiger regenvlaag ging m'n tocht verder, richting apotheek. Slim van mij om dat brood in de winkel alvast in een extra plastieken zakje te stoppen, en dan pas in de grote boodschappentas, want de kartonnen doosjes met pillen pasten er ook nog net bij in, helemaal veilig voor al dat ongenadig neerkomende water. De apothekeres die me al bij 't binnenkomen begroette met 'amai, gij zijt precies komen zwemmen' wees me met lichte ontzetting op de ondertussen nog stevig in hevigheid toegenomen stortvlaag waarin ik me nu weer terug moest begeven. 'Och, veel natter kan ik niet worden', lachte ik, 'en 't zal wel drogen'. En met het grapje 'zolang er geen stront uit de hemel neer komt dretsen valt het volgens mij allemaal wel mee!' stapte ik behoorlijk onverschrokken de winkel weer uit.
En dat ik niet nóg natter kon worden, dát had je gedacht!... Nog geen straat verder voelde ik het koude vocht heel stiekem naar binnen sluipen door de zogenaamde regenbestendige stof van m'n jas. Even later liep het in stralen langst de mouwen van m'n trui en over m'n rug. De wollen muts en de handschoenen gaven de strijd tegen het water meteen ook op. M'n kleddernatte broek plakte en schuurde aan m'n benen. M'n doorweekte voeten en sokken maakten bijzonder lachwekkende zompige geluiden na het eindeloos doorwaden van diepe, niet te vermijden reusachtige plassen en kolkende goten. En de open draagtas werd steeds zwaarder: hij liep langzaam vol. Zwemmende boodschappen dus. Lang leve de luchtdichte verpakkingen en plastieken zakjes!
Druipend alsof ik zo, volledig gekleed in al die lagen, met schoenen en tas en al, een paar uur in een vol bad ondergedompeld werd arriveerde ik thuis. Haaa, zalig die warmte, die droge kleren, die hete koffie... Heerlijk knus neerploffend in de zachte zetel begreep ik ineens verheugd dat ook déze wandeling, die niet verder kon verschillen van de vorige, mij eigenlijk ook echt wel deugd gedaan had. 'Verschil moet er zijn, en alles heeft z'n mooie kanten' bedacht ik me, en glimlachte omdat ik daar heel even die positieve, optimistische en ondertussen dus al een serieus aantal maanden kwijt-zijnde Kristina in herkende.'t Is dus overduidelijk: wandelen is goed voor mij. Het maakt mij, letterlijk, stapje voor stapje beter. Maar mijn verlanglijstje aan de ijskast is daardoor ondertussen wel een paar items rijker. Ik heb dringend nood aan een paar superleuke gummilaarzen, zo een stevige regenjas -zoals 'de mannen van de gemeente' dragen, al dan niet in fluorescerend geel- en een plezant maar zeker ook praktisch regenhoedje! En dan, weer of geen weer, dan houdt niks mij nog tegen om te wandelen, en te wandelen, en te wandelen, en... ;-)
De eindeloze aaneenschakeling van dagen waarin ik als een soort ouwe dweil slap, zwaar en uitgerafeld, en met even weinig levenslust, de klok rond onlosmakelijk versmolten met m'n bed doorbracht behoort ondertussen gelukkig al weer een beetje tot het verleden. De tijd van het absolute niks-zijn wordt steeds vaker onderbroken door momenten met de zalige combinatie van goesting en energie, zij het voorlopig nog slecht heel af en toe, en van relatief korte duur. Sinds het begin van mijn depressie breng ik het grootste deel van m'n tijd wat afwezig rondlummelend in het huis door. Verborgen onder een berg zachte fleeche dekentjes hang ik als een soort kleurrijke mummie in de zetel, eventueel met een lekkere hete kop koffie of zo, al dan niet in het knuffelgezelschap van één van de katertjes. Met aan m'n bureautje achter de computer aan van alles en niets te zitten frullen, uiteraard ook vaak met een half slapende kat naast me, verglijden regelmatig en altijd volledig onopgemerkt hele voor- en namiddagen. Maar wat ik ook doe -of niét doe- altijd weer gaat mij blik als vanzelf naar buiten. Vanuit zowat elke hoek van elke kamer heb ik hier een ongestoord wijds zicht op de tuin, de struiken en bomen, het prachtige gazon, de zen-tuin-achtige cascade aan keien, een hoekje van de vijver, de verschillende gebouwen in de verte, en royaal stuk lucht boven de open ruimte. En natuurlijk, niet te vergeten, het nu, zo zonder bloemen wat kaal uitziende lange smalle winterse terras. En het is niet alleen de eindeloze beweging van de takken en blaadjes in de wind daarbuiten die mijn aandacht trekt. Nee, weer of geen weer, in alle seizoenen, het hele jaar door doe ik aan 'vogelen', -vogels spotten dus, ik hoorde je al denken... hihi- en daar geniet ik mateloos van, zelfs nu ik het leven even niet zo zonnig en optimistisch als gewoonlijk bekijk.
Op mijn vorige adres voedde ik jarenlang een zeer brede waaier aan terras-bezoekend gevogelte en die ongelofelijk mooie en gezellige gevederde drukte hoopte ik hier uiteraard opnieuw te creëren. Tot m'n groot verdriet zag ik behalve een paar duiven, een ekster en een stelletje mezen ver weg van mijn stukje buitenruimte, in de bomen van de tuin, de eerste 12 maanden geen veer. Ondanks al het uitgestalde lekkers. Juist het ontwaren van de reiger die af en toe de voor mij de maar nét zichtbare vijver bezocht deed me, hoe ver ook van mij verwijderd, elke keer van geluk op en neer springen.
En toen plots, met z'n allen, als afgesproken, 'samen durven we' of zo iets, een hele rits koolmezen (1) die zich honderduit vrolijk kwetterend op de pinda's en vetbollen stortten! Hoera! Da's een moment om nooit te vergeten. En al snel lieten ook de pimpelmezen (2), met het blauwe keppeltje, zich zien. O, hoe heerlijk vond ik dat, al dat opgewekte gekwinkeleer, onschuldig geruzie en dartel gebuitel. En ook katers Poekie en Pompon konden hun lol niet op! De hele dag met hun neus tegen het raam, want hun persoonlijke 'poezentelevisie' zond éindelijk een uitzonderlijk interessant programma uit...
Bijna tegelijkertijd vonden ook de vrijpostige houtduiven (3) de weg naar een snelle hap. Al zag en zie ik die eigenlijk liever niet verschijnen. Zij vernielen met hun wild flappende gevechten en een onhandig lomp lijf, trappelende poten en woeste vleugelslagen nagenoeg álles in hun pad. Bloemen, bollen, struikjes, zelfs kleine tuinornamenten, 't maakt niet uit, 't gaat er allemaal aan. En ze schijten als eersteklas strontmachines absoluut àlles onder. Zucht.
Lang duurde het niet of ik zag in de schemer van een herfstavond iets klein grijs-bruins tussen de struikjes ritselen. Toch geen muis zeker?! Nee, gelukkig niet, maar wel een ijverig winterkoninkje (4) dat bijzonder ambitieus het ene na het andere blaadje omdraaide op zoek naar insecten. Hij voelde zich duidelijk helemaal thuis tussen de potplanten. Een paar dagen later flitste er de hele tijd een rood vlekje tussen de tuin en de bloempotten voor m'n vensters heen en weer. Toen kon ik m'n geluk helemaal niet meer op: immer nieuwsgierig roodborstjes (5) behoorden nu ook tot de vaste volière-bezoekers. Zij vliegen niet eens meer weg als ik buiten wat aan de planten zit te frullen. En vanop het omheiningsplekje dat het beste inzicht door het venster naar binnen geeft bespieden zíj míj tegenwoordig, zonder enige gene, frank en vrij, zoveel schaamtelozer dan hoe ik hen ooit had durven beloeren.
Op een dag hing er ineens, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, een bonte specht (6) tussen de mezen nootjes te eten. Die had ik al een keer op de stam van de dennenbomen zien zitten, maar zo dichtbij, wow, geweldig. Rond diezelfde stammen draaide er trouwens ook heel vaak een tot voor kort ongekend vogeltje, erg klein, bruinachtig, onopvallend en razendsnel cirkelend. Dat bleek een boomkruiper (7) te zijn, toen ik hem -of haar, wie weet- een paar weken geleden van dichtbij zag, ook gezellig wat rondhangend op het terras.
De wilde volière hierbuiten breidde zich verder uit met een stel tortelduiven (8), een stuk beleefder dan hun soortgenoten, met een pak minder neiging tot ongegeneerd vandalisme. De verrassend grote, erg schrandere eksters (9) in hun prachtig glanzende galakostuum bevinden zich maar wat graag in gezellige drukte en voegen aan de gevleugelde terrasbende vooral extra kwebbel- en schetterdecibels toe. De familie schitterend gekleurde Vlaamse gaaien (10) met residentie in de tuinen om de hoek pikt blijkbaar toch ook hier af en toe met plezier wat lekkers mee. Verandering van spijs doet eten, vermoed ik...
De prachtige reiger (11), die komt met zekerheid nooit tot op mijn terras -ik bied in m'n voederdingetjes geen vis aan, hé- maar mijn vreugde is onverminderd groots elke keer ik die majestueuze vogel in sierlijke krullen zie neerdalen in de tuin. Met een stevig uit de kluiten gewassen zwarte kauw (12) stond ik wel al oog in oog, zij het met vensterglas tussen ons in. Dat was echt een bijzonder verbluffende ontmoeting, met verbazingwekkend reëel contact. De wijsheid straalde uit z'n pienter glimmende kraalogen. Een onvergetelijk zalig moment!
En het vogelbestand in deze volière zonder tralies blijft groeien! Afgelopen weekend meende ik in een flits een zwarte mees (13) gezien te hebben. En al pratend aan de telefoon met m'n moeder -zij kan getuigen van mij intense blijdschap- merkte ik ineens dat er een groepje staartmeesjes (14) aan de zonnebloempitten smikkelden. Super schattige piepkleine donzige zwart-witte pluimenbolletjes, niet groter dan een winterkoninkje, maar met een geweldige staart, buiten verhouding lang. Echt schitterend!
De merels (15) scharrelen hun kostje bij elkaar in de tuin, tussen de struiken, de keien en in het gras. Ik denk niet dat die zich ooit tot op het terras zelf zullen begeven. Zij houden van open ruimten. Maar de appelstukjes die ik heel af en toe en heel stiekem voor hen het struikgewas in mik laten ze zich alleszins duidelijk welgevallen.
Vanmiddag tijdens m'n boodschappenwandeling, met ijskoude handen en oren door die snijdende wind, was de grauwe lucht beladen van veelbelovend vogelgezang. De nakende lente liet zich absoluut nog niet voelen maar je kon ze al wel glashelder horen. Het zal vast niet zo heel lang meer duren voor er in al die ontelbaar vele en nu in de kale winterbomen duidelijk zichtbare nesten weer volop nieuw leven zal beginnen tjilpen en fluiten. En wie weet spot ik dan, zoals op m'n vorige terras, ooit ook weer de te gek gekleurde putter (16), of de grasgroene groenling (17), of een paar goudvinken (18), of...
Juist die vlucht spreeuwen (19) die ik vandaag op de speelweide tussen de gebouwen zag, die mag absoluut wegblijven, hoe mooi hun iriserend stippeltjes-verenkleed ook is. Want geloof me, om dat soort grenzeloze hooligans enigszins in toom te houden vrees ik dat het beslist noodzakelijk is dat één of andere indrukwekkende roofvogel deze wilde volière als domicilie kiest, én op de koop toe -liefst!- wel alle ándere gevleugelde bezoekers ongeschonden in zijn en mijn buurt tolereert... En dat, dat zie zelfs ik in m'n meest optimistisch moment, met een roze bril op en geloof in wonderen nog niet zo snel gebeuren! ;-)
Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil... Een zinnetje dat je in zowat elk kerstlied, zeker als het enigszins religieus is, wel terug vindt. En dus mocht ik dat de afgelopen weken weer overvloedig de wereld in zingen. Uiteraard, ge kent mij, altijd met bijzonder veel overtuiging. En met ook nog steeds die bijna kinderlijke hoop dat als ik het maar lang genoeg, luid genoeg en met heel m'n hart en ziel laat horen, het misschien ook nog eens waarheid wordt, de realiteit...
'And in despair I bowed my head, there is no peace on earth I said...' zong ik dit jaar ook vele malen in het wondermooie 'I heard the Bells of Christmas Day'. Vertaald betekent dat zo ongeveer: 'En in wanhoop boog ik mijn hoofd, er is geen vrede op aarde, zei ik' en dat kwam, misschien wat uitvergroot door die depressie in mij, steeds uit m'n mond met een bijna tastbare vertwijfeling en radeloosheid. Want geef toe: nu, meer dan 2000 jaar later, is de mensheid precies nog geen sikkepit wijzer en vredelievender. Meer dan twintig eeuwen lang is deze wonderbaarlijke planeet vol schoonheid en leven het strijdtoneel van de meest wreedaardige oorlogen. Ten allen tijde staat onze blauwe bol wel ergens in lichterlaaie, en o zo vaak zitten daar religieuze overtuigingen achter. En noem me gerust naïef, ik geloof nooit dat die Jesus -of wat mij betreft gelijk welk kind dat ooit op deze aardbol geboren werd- het zonder meer oké zou gevonden hebben dat er in zijn naam zovele wreedheden begaan zijn. Ook niet in déze tijden. Zijn blijde boodschap, en meteen ook die van zowat elk kind en elke religie, is er één van vrede en liefde, van respect en dankbaarheid... En dat vraagt natuurlijk een beetje goeie wil, hé, van iedereen.
Door de razendsnelle communicatiemogelijkheden van deze tijd overspoelt een eindeloze aaneenschakeling van moord en doodslag ons de hele dag, zoveel dat we er eigenlijk verdoofd door zijn. Het klopt ja, dat het ook absoluut niet te vatten is met een simpel menselijk brein, die eeuwigdurende overdosis geweld, en ik ben de eerste om nederig toe te geven dat ik er zo vaak m'n ogen voor sluit, wat lijdzaam beseffend dat ook ik een oplossing niet even snel uit m'n mouw schud...
Aan het begin van deze laatste maand van het jaar, meer bepaald op zaterdag 9 december, luisterde ik in een boordevolle doch bitter koude kerk in Rupelmonde samen met organist Peter Maus de herdenkingsplechtigheid voor Leon Rooman op. En nee, da's geen bekend of beroemd persoon, hoor, u hebt niet ergens iets gemist. Deze voorvader van een goede vriend van mij, was een hele gewone mens, net zoals u en ik, maar... met de dikke pech dat hij een eeuw geleden als late twintiger de juiste leeftijd had om als soldaat te 'mogen' gaan vechten op het slagveld aan de Ijzer... En vervolgens aldaar ook 'roemvol' -volgens het bidprentje alleszins toch- te 'mogen' sneuvelen op 9 december 1917, dus bij de herdenking dag op dag exáct 100 jaar geleden.
Flori Rooman stond er in zijn toespraak ook bij stil dat we tijdens die voorbije eeuw als mensdom weinig geëvolueerd zijn, toch wat betreft de wereldvrede.
Een kind dat geboren wordt tussen verschoppelingen in een stal, onderweg naar wie weet waar, en vluchtend voor moordzuchtige machtswellustelingen. Is dat slechts een verhaal uit het begin van onze jaartelling? Het zijn net zo goed de hartverscheurende lotgevallen van de miljoenen vluchtelingen heden ten dage...
O ja zeker, technologisch zijn we er inderdaad geweldig op vooruit gegaan: nu hoef je de 'vijand' niet eens meer recht in z'n ogen te kijken, je kan hem, zonder hem ooit te hebben gekend of gezien, van aan de andere kant van de wereld, met afstandsbediening, een kopke kleiner maken, mocht je dat wensen... Maar om de wereldvrede te bevorderen, tja, daar hebben ze nog steeds niet veel voor uitgevonden, vrees ik.
'To you from failing hands we throw the torch; be yours to hold it high. If ye break faith with us who die, we shall not sleep, though poppies grow in Flanders fields' zong ik, schitterend door Peter begeleid op een ontzettend prachtig orgel, met net geen tranen van ontroering en een opkomende krop in de keel aan het eind van de ceremonie. 'Vanuit onze falende handen geven wij u de toorts door; het is aan u om ze hoog te dragen. En doet gij dit niet, dan zullen wij geen rust kennen, al groeien er nu klaprozen in de velden van Vlaanderen' vertaal ik vrij. Een strijdvaardige boodschap, een vraag naar 'niet opgeven', maar of dat dan een voortzetting van oorlog-conflict-meningsverschil-vijandelijkheden of van vrede-stilte-sereniteit-harmonie inhoudt, dat blijft open voor interpretatie...
Ik, ik kies voor het laatste. En 'k tracht daar elke dag weer op m'n eigen manier stilletjes aan te bouwen, met vele hele kleine, maar vooral oprecht vriendelijke en zachtmoedige daden. Niks opzienbarends dus, tenminste... voor een mens van goede wil.
'Dat er geen vrede op aarde is' mag ik dan wel in 'despair' opnieuw en opnieuw te beste gegeven hebben in The Bells of Christmas Day, het antwoord komt er in hetzelfde lied ook meteen achteraan: 'Then rang the bells more loud and deep:
God is not dead, nor does he sleep, The wrong shall fail, the right prevail With peace on earth, good will to men!', of vertaald: 'Toen beierden de bellen nog luider en dieper: God is niet dood, noch slaapt hij. Het kwaad zal falen, het recht zal zegevieren, met vrede op aarde, en welwillendheid onder de mensen'. En al twijfel ik er sterk aan of er werkelijk één of andere god met een oplossing zal komen -ik hou er alleszins mijn adem niet voor in-, dit stuk van het lied zing ik altijd met zo mogelijk nóg meer overtuiging! Want ondanks 100 jaar oorlog of 2000 jaar oorlog heeft de wens voor en het streven naar vrede ook al die tijd overleefd, net zoals de zovele vaak ongeziene gestes van zovele hele gewone mensen van goede wil.
Dus terwijl ik vrolijk, ongegeneerd en luidkeels verder kerstliedjes met veel peis en vree op aard de wereld in schal wens ik u van harte vrede toe en goeie wil. Zowel voor jou als voor mij: vrede in je hart, vrede om je heen, vrede voor jezelf en vrede voor je naaste, en dat je als mens van goede wil alle dagen van het nieuwe jaar omringt mag zijn door uitsluitend andere mensen van goede wil! Fijne kerstdagen en beste wensen voor 2018! Xxx
En dan nu uit volle borst allemaal samen: ♪♫♪ Vree-ee-deu, vree-ee-deu, vreed'op aard' aan aa-aa-lleu-eu mensen die van goe-oe-deu wille zijn!... ♪♫♪
Al de hele dag tracht ik vruchteloos m'n al twee dagen over tijd zijnde kerstblog af te werken. Maar het gaat me niet. 't Ontbreekt me aan focus. Rechts achter me borrelt en bruist de waterfilter van het aquarium. In m'n ooghoek zie ik de speelse weerkaatsing van licht op bewegend water. Geluiden en beelden die ik onlosmakelijk associeer met mijn goudvis. En uit jarenlange gewoonte kijk ik met regelmaat opzij om even iets tegen m'n vis te zeggen... Maar de bak is leeg. M'n zo stralend en blinkend oranje maatje ligt, helemaal dof geworden en in ongepast feestelijke kerstservetjes gewikkeld, in een gesloten plastieken doosje op het aanrecht in de keuken te wachten op z'n begrafenis.
Toen ik gisteren in de vroege namiddag thuiskwam na het zingen van een kerstviering hing hij, zijdelings in een u-vorm gebogen, boven in z'n glazen waterhuis wanhopig te flappen, al z'n schubben rechtop als wou hij een dennenappel imiteren. De expert van de dierenwinkel kon, tot ook zijn verdriet, slechts vertellen dat mijn vis met 99% zekerheid een ingewanden-aanvretende bacteriële infectie had en dat hij die onmogelijk kon overleven. Vermoedelijk woekerde die infectie al een paar weken in hem, maar omdat mijn goudvis altijd al een ontzettend kalme, zeer bedaard zwemmende of rustig rondhangende waterbewoner was viel het me -tot mijn ontzettend grote spijt- niet op dat hij ergens mee zat... tot het al veel te laat was om er nog iets aan te kunnen of proberen verhelpen.
Vanmiddag is hij na een toch nog lastige doodsstrijd, stil in het water liggend op z'n zij, ondersteund door mijn hand en begeleid door mijn stem, gestorven. En noem me nu gerust een sentimentele dwaas of een overgevoelig getikt geval, -dat mag, het maakt me echt niets uit, denk er van wat je wil- ik heb er sinds gisteren al serieus wat tranen over gelaten, over dit zo plotse afscheid.
'Zeg, komaan, het is máár een vis, hé!' is al snel de reactie als je zoiets verteld. Maar misschien kan je het beter begrijpen als je weet dat die ene goudvis al 14 jaar op z'n gemakje als een vaste waarde door de dagen van mijn leven zwemt. Da's verdorie zelfs dubbel zoveel tijd als de jaren van de langste relatie die ik in dit leven met een mens had telde, bedacht ik me daarnet... Niet echt 'zomaar' een vis dus, maar een volwaardig huisdier, een waarachtig lid van mijn ietwat bizarre gezinsgezelschap.
Van dat korte geheugen bij goudvissen is trouwens absoluut niets waar: hij kende mij zoals ik hem kende. Er zat een zekere regelmaat in het voeren, in het poetsen van z'n leefruimte en dergelijke interacties, kortom in het leven hier zo tussen mens en vis, en die routines kende hij verdraaid goed! En als hij iets nodig had wist hij exact hoe mijn aandacht te trekken. Elke morgen weer deden we elkaar een goeiendagske. Dan zag je de herkenning in z'n blinkend zwarte oogjes en een soort vreugde om me te zien. De hele dag volgde hij me in al m'n doen en laten, en als ik 's avonds aan de computer, dus vlak naast hem zat zag je meneer vis geïnteresseerd meekijken. En dat verzin ik niet, hoor.
Zelfs met de poezen was er een soort relatie, iets meer met Poekie dan met Pompon, maar dat ligt aan hún zeer verschillende karakters. Poekie lag -en echt waar: los van elk soort jachtinstinct- maar wat graag in z'n zachte mand naast het aquarium met z'n neus tegen het glas naar de elegante bewegingen van ons onderwaterkameraadje te kijken en dan kwam Vissie-vis -zo noemde ik hem- gezellig langst hem heen en weer zwemmen, nieuwsgierig oogcontact makend. Van schuchterheid of angst geen spoor.
'Goh', zeiden de mensen in de dierenwinkel, 'als hij al minstens 14 jaar is, dan heb je hem wel geweldig goed verzorgd, hoor! De meeste vissen worden niet zo oud!' Misschien is dat wel zo, maar het neemt m'n schuldgevoel niet weg. Onrechtstreeks heb ik immers zelf mijn vinnige ventje de dood in gejaagd, met al die 'goede zorgen' van me...
Door jarenlang stilletjes te groeien -uiteraard, da's nogal logisch- was m'n goudvis z'n vertrouwd simpele bak eigenlijk al een tijdje echt wel te klein geworden. En daar ik voor alle levende wezens waarvoor ik de verantwoordelijkheid op me nam de allerbeste levensomstandigheden tracht te verzien, kocht ik mijn vergulde zwemmerke afgelopen oktober een zoveel ruimer en voor het eerst volwaardig aquarium met alles er op en er aan. En natuurlijk meteen ook een volledige set nieuwe 'meubelen' om al die ruimte wat gezellig aan te kleden. Namaakstronken en -takken, plantjes, extra stenen... de hele reutemeteut! Gezellig, boeiend en knus voor hem om in te leven, en gezellig, boeiend en mooi voor mij en de poezen om naar te kijken!
En nu blijkt dat er, ondanks alle voorzorgsmaatregelen -alles op voorhand goed afspoelen, eindeloos waterkwaliteit checken en langzaam mixen, positieve elementen in de biofilter ruim de tijd geven om in gang te schieten, enz.- zich dus toch nog ergens een levensbedreigende bacterie heeft kunnen nestelen. En die heeft zich vermoedelijk van dag één op z'n nieuwe gastheer, mijn goudvis, gestort... Zo is mijn 'zorg-dragen-voor' en die daaruit volgende verhuis van z'n vertrouwde studiootje naar een volwaardig glazen huis mijn Vissie-vis dus fataal geworden.
En ja, hij was zeker al 14 jaar oud, maar een gelukkige, goed verzorgde goudvis kan makkelijk 20 tot 30 jaar leven, dus zonder die onvoorziene vreselijke aquariumgast had hij absoluut nog veel langer gezellig naast me kunnen verder zwemmen...
Vissie-vis was misschien maar een doodgewone goudvis, maar ik mis hem toch. Na zoveel tijd samen ben je echt wel aan die -zelfs zulke simpele- aanwezigheid gehecht. En ik besef echt wel dat niets op deze aarde voor eeuwig leeft, werkelijk niks of niemand, en daar boven op de kans zeer groot is dat je je lieve huisdieren overleefd... En toch, dat zo plotse hevige afzien en/of heengaan, daar wen je absoluut niet aan, hé. Met niets of met niemand...
Al zal ik m'n zo mooi goud-oranje Vissie-visje niet gauw vergeten, als het aquarium over twee, drie weken weer helemaal ontsmet en veilig zal zijn, na ettelijke biologische cycli met bacterie-vernietigende natuurlijke waterbehandelingen en dergelijke, dan komen er toch weer nieuwe fel oranje Vissie-visjes, een stuk of drie, dat staat al vast, want ik zou zulk vrolijk, dartel en vochtig gezelschap met z'n ontzettend hoog zen-gehalte veel te veel missen.
In afwachting van verwen ik gewoon met nog meer overtuiging Poekie en Pompon, die lieve snoezige katers van me, met extra veel knuffels en leuke spelletjes, en dan lukt het me zeker om weer helemaal rustig te worden en vrij van de tranenstromen bij dit kleine doch bijzonder aangrijpende huiselijke drama, en misschien eindelijk ook om die al zo laat zijnde kerstblog nog eens af te krijgen. Want daar mag ik wel mee opschieten, hé, of 't worden nog 'vijgen na Pásen'... ;-)
Een grauwe maandagnamiddag. Op het computerscherm voor me rollen vrolijke foto's voorbij. Massa's prachtige foto's met een onmiskenbaar opgewekte sprankelende kerstsfeer. Ik bekijk ze opnieuw en opnieuw. Rondom mij ligt het huis er onbehaaglijk rommelig bij. Afwas van verscheidene dagen, niets is gepoetst, gestofzuigd of op z'n plaats. En daarbovenop struikel je in elke kamer over allerhande props en dozen vol concertbenodigdheden. De slaapkamer hangt vol kerstjurken, -jurkjes en -gilets, en alles, echt álles in huis -met extra hoge concentraties in m'n bed en de badkamer- kleeft vol quasi onverwijderbare glitter. De vertrouwde, vervelend chaotische nasleep van de kerstconcerten van afgelopen weekend in een onvertrouwd warrig appartement. En ik kan mezelf er maar niet toe overhalen met opruimen te starten...
Elk jaar weer draag ik met veel plezier en energie m'n steentje bij in het 'verlichten' van die donkere eindejaarsdagen, die voor zovelen toch lastig door te spartelen zijn. Eenzaamheid, verdriet, gemis... Het tekort aan 'licht' -letterlijk en figuurlijk- maakt de feestdagen voor velen alles behalve dolle pret. Het samen zingen en lachen deed mensen naar huis gaan met een glimlach op hun gezicht en een extra vonkje levensvreugde vanbinnen, elk jaar weer, gegarandeerd. Voor minder gingen we niet. En ik werd er zelf ook altijd beter van. Ja natuurlijk ben ik er elk jaar opnieuw totaal uitgeput van achteraf. Maandenlang keer op keer op keer nieuwe organisatorische beproevingen doorstaan en tot slot twee maal een concert van 2,5 uur zingen waarbij ik telkens absoluut álles van mezelf geef, het laat z'n sporen na, amai nog ni. Maar binnen in mij ging het levensvreugdelichtje dan ook altijd feller branden, hard genoeg om er weer een jaar mee verder te kunnen.
En dit jaar... De beide shows straalden, net zoals alle jaren daarvoor, dezelfde fenomenale energie en eindeloze, bijna kinderlijk gelukkige, vreugde uit. Niemand in het publiek merkte er iets van, zelfs op de fantastische foto's kan je het niet terug vinden, slechts een paar intimi waren er van op de hoogte: dit jaar was de Kerst-Miss zichzelf niet. Verre van. Zowel de voorbereidingen als de concerten leden, vaak ongezien en ongehoord, zeer ernstig onder de diepe, duistere en uitgesproken hardnekkige depressie die zich van me meester gemaakt had. Die ogenschijnlijk onuitputtelijke bron met 'happy' was opgedroogd. Zo voelde het alleszins.
Uitgesproken donkere emoties en gedachten van pijn, eenzaamheid, nutteloosheid en mislukking gingen samen met al de 'overbodig-ongewenst-ongeschikt-onbegrepen-ongeliefd-onbemind-gevoelens als een razende onstuitbare moordmachine in me te keer, alles in z'n pad vernietigend en slechts elkaar steeds weer en meer versterkend en opjuttend.
En met dat oorverdovende oorlogskabaal vanbinnen valt er vanbuiten een oorverdovende stilte. Er wordt niet meer opgeruimd, gepoetst, gewassen. De planten krijgen te weinig verzorging, de poezen te weinig aandacht. 'Creatief bezig' zijn is onwezenlijk en schrijven volstrekt onmogelijk. Alsof alles een beetje met je mee-sterft.
Bijna kwamen er dus dit jaar geen kerstshows, het heeft echt niets gescheeld. En niet alleen omdat de dokter een negatief advies gaf vanwege de overdaad aan bijbehorende stress, maar omdat ik, volledig verslagen en gebroken, het zelf allemaal dreigde op te geven. Alles...
Eigenlijk had ik die hoop- en licht-brengende kerstconcerten dit jaar zélf hard nodig, meer dan wie ook, gelijk wanneer en gelijk waar!...
Ergens diep in me hield zich blijkbaar toch nog een piepklein sprankje happy verborgen, klaar om weer op te laaien eens de kust terug veilig was. En de concerten kwamen er, mede door geweldige vrienden zoals bijvoorbeeld Roger, die eindeloos geduldig zeeën van tranen opdweilde, en Ingrid, die me zonder veel omhaal, te pas en te onpas, systematisch even stevig knuffelde. En natuurlijk ook de zalige muzikant- en danseresvrienden, die zonder vragen of twijfelen meteen mee hun schouders onder het project zetten. Het minuscule vonkje groeide zo uit tot een vlammetje, net groot genoeg om me de scene op te doen stappen, een beetje wankel maar vol hoop vertrouwend op dat 50-jaar oude zangeressenlijf, volledig opgebouwd met net niet uit zichzelf zingende moleculen.
Ja, die kerstconcerten van dit jaar waren een sterk staaltje van hoop en vertrouwen, van doorzettingsvermogen en ondersteuning, en vooral van vriendschap. De titel 'Kerst-Miss anders bekeken' is een vlag die de lading ab-so-luut niet dekt!...
En het heeft me deugd gedaan. Echt. Niet alleen het zingen, waar ik áltijd beter van wordt, en het heerlijke moppen-tappen dat ik voor geen geld ter wereld loslaat, maar meer dan ooit ook de oprechte aandacht, de warme genegenheid, het nog nagalmende applaus, de talrijke knuffels en zoveel, zoveel meer, teveel om op te noemen. En de foto's natuurlijk, die onmiskenbare, keiharde bewijzen zijn, zwart op wit -en duidelijk ook op róód- van al het moois dat we toch maar weer gepresteerd hebben, en die vooral een blijvende getuigenis zijn van 'dat het góed was!'
Weliswaar wat verminderd in kracht roert de depressie zich nog steeds. Die geeft zich niet zonder slag of stoot over en verdwijnt niet zomaar boem-pats. Maar, er is weer een reddingsboei om me aan vast te houden als ik dreig te verzuipen. Zolang het me lukt de ene voet voor de andere te zetten, en ik niet bij de pakken ga neer liggen, kom ik er wel, ongeacht hoe lang en zwaar de weg nog is. Opnieuw beseffen dat er vele supporters, zichtbaar en onzichtbaar, langs m'n pad staan helpt absoluut. Ik mag alleen niet vergeten om me heen te kijken onderweg en ze te 'zien'!...
Naast mijn grote mok dampende koffie ligt een heerlijk chocolareepje uit de Merci-doos, kadootje van m'n lieve ballet-miekes. Die doos kwam met een mooie kaart waarin een wel heel bijzondere boodschap staat, een boodschap van dank, bewondering en ondersteuning, maar vooral van heel veel oprechte liefde. De tranen rollen nog steeds over m'n wangen telkens ik de woorden herlees. Geen tranen van verdriet, maar van ontroering, en ook een beetje van geluk. Ja, die kaart, da's er ééntje om vanaf nu altijd dicht bij me in de buurt te houden, voor als het bulderende tumult in m'n hoofd me weer eens heel gewiekst compleet doet vergeten dat er altijd van mij gehouden wordt...
En terwijl ik heel intens en zuinig geniet van het laatste restje chocola in m'n mond raap ik mezelf toch maar weer bij elkaar en besluit, uiteraard begeleid door een paar onmetelijk diepe zuchten, eindelijk maar eens wat te gaan opruimen.
Van een schoon huis alleen word je misschien volmaakt gelukkig -je kan die monsters in je kopke spijtig genoeg niet mee opzuigen of wegpoetsen- maar 't is wel een prima stap in de goeie richting! En wie weet spreken we dan tegen december 2018 van een 'Opgeruimde Kerst-Miss'. Letterlijk en figuurlijk. ;-)
"Of ik dat vroeger ook gedaan had?" wilden de kinderen die voor de zoveelste hevige stortvlaag bij mij in het tramhokje kwamen schuilen weten. Ze droegen alle zeven inline skates, skeelers heet dat blijkbaar in het Nederlands. Allé, zo van die rolschaatsen met alle 4 wielen op één rij dus. "Ja, hoor" antwoordde ik, "maar wij hadden per voet 2 wielen naast elkaar vooraan en 2 wielen naast elkaar achteraan. Wat jullie nu dragen, dat bestond toen nog niet." Ze keken me een beetje met ongeloof aan. "Maar ons model is toch ook al heeeel oud!" zeiden ze, "onze papa reed daar al mee!" "En in de winter" vertelde ik verder, "dan schaatsten wij op de dichtgevroren vijver van het park. Dat kon en mocht toen nog." 'k Heb maar niet beschreven met wat voor schaatsen, want hun verbazing was al groot genoeg. "Echt of wá!?" viel er verbluft uit de open monden.
De oudste van het stel, een slungelige gast bijna even groot als ik, 13 jaar en nog niet droog achter z'n oren maar wel zelfverklaarde 'man van de wereld', stak de hele tijd absoluut niet onder stoelen of banken dat hij mij een 'wreed knappe madam' vond. Met veel zogezegd gezag maande hij zelfs de rest aan om vooral eens goed en van dichtbij naar mijn ogen te komen kijken, want dat had hij nog nooit van z'n leven gezien, zulke ongelooofelijke licht-blauw-grijze ogen.
Al snel bleek ik ouder dan hun moeder te zijn, zelfs bijna even oud als hun oma. En dat moet voor hen vooral qua uiterlijk een wereld van verschil betekend hebben want ze bléven er onder elkaar met totale verwondering over praten. Het enige meisje in het gezelschap, een bijzonder mooi kind met prachtige grote hazelnootkleurige ogen, ik schat haar een jaar of 7, schuifelde heel voorzichtig tot dicht bij me en fluisterde "Jij bent zeker een prinses, zo mooi." 'k Had nog juist de tijd om haar intens gelukkig te maken door haar breed glimlachend te verzekeren "dat ik haar minstens even mooi vond en dat zij dus zeker ook een prinses kon zijn", want daar kwam haar broer alweer aanstormen met z'n volgende vraag. "Of ik ook een man had?" wilde hij, stoere gast, weten, overduidelijk hengelend naar een mogelijke 'openstaande vacature'... Maar daar draaide de tram luid piepend om de hoek en verlegde aldus meteen -oef- alle aandacht. "Niet meer" beantwoordde ik de vraag nog voor mezelf terwijl we allemaal in het rijtuig stapten, "want dié, die vonden mij niét mooi genoeg..."
Een paar haltes verder namen ze afscheid van me als van een geliefd familielid dat op verre reis vertrok, mij en de tram enthousiast en uitgelaten nazwaaiend.
En zowel dat familiegevoel als die herinneringen aan lang vervlogen tijden pasten wonderwel bij de planning voor de rest van deze zondag! Ik was namelijk onderweg naar ons moe, om samen naar een theaterstuk te gaan kijken waarin een nichtje van mij -één van de zovele nichtjes, maar dit is een specialleke, ligt me nét dat ietsje nauwer aan het hart- meespeelt!
Het Wijnegemse Toneelgezelschap speelt in de theaterzaal van 't Gasthuis, dus op hetzelfde podium dat ik over een 4-tal weken ook weer onveilig maak met mijnen O.C.D. (Obsessive Christmas Disorder), de productie 'De Parochie van Miserie'. En naast de serieuze dialogen en monologen wordt er ook hier geweldig veel gelachen en bijzonder veel gezongen, maar zij staan met minstens ne man of 30 méér op de scene...
Nog voor het doven van de zaallichten werden we door foto's en filmpjes meegenomen naar het Antwerpen uit lang vervlogen tijden, zo ergens rond 1900 -ja, dus toch nog ietske verder dan míjn rol- en ijsschaatsende jeugdjaren, mocht u het zich afvragen- waar in het Sint-Andrieskwartier het doodgewone volk z'n dagelijkse strijd om te overleven voert. En dat gaat net zo goed met ne lach, ne zwans en een lied als met meer dan bloedige ernst.
Voor je 't weet leef je helemaal mee met de vele typische volksfiguren, gun je hen van harte een beter bestaan en zou je bijna in hun plaats die Franssprekende blaaskaken met hun chichi kakmadammen een 'peer oep hun bakkes' willen verkopen. Wat me naadloos bij een gegeven brengt waar ik toch erg lang, enigszins verontrustend lang zelfs, gefascineerd bij stil ben blijven staan: één schijthuis -mijn excuses voor m'n taalgebruik maar een beter woord bestaat er niet- voor 10 gezinnen... ik kon het bijna tot op de vierde rij ruiken!...
Reeds tijdens de pauze, bij de gratis koffie met geweldig lekker koffiekoekjes -wat een traktatie!- ontspon zich een bijzonder boeiend gesprek over o.a. hoe het toen, in die tijd, wel gestonken moest hebben, en over het in een zinken teil met bruine zeep schoon geschrobd worden en met ijskoud water afgespoeld. 's Zomers buiten, en 's winters voor de kachel. Dat heb ík zelfs nog gekend!
Bon, genoeg herinneringen opgehaald, terug naar het stuk. Te midden de vele volksmensen in hun wat grauwe eentonig kleding, gebracht door acteurs en actrices van heel diverse leeftijden en bijna even divers talent, wiebelt en waggelt er één ontzettend kleurrijk figuur over het toneel: Zatte Nel, met verve en meer dan geloofwaardig straalbezopen tot leven gebracht door mijn nicht Ilke. Ze had me vooraf verteld super zenuwachtig te zijn om zo op de scene te zingen met haar nicht 'de échte zangeres' in de zaal, maar 'k weet nog steeds niet waar dat voor nodig was, want ik vond het geweldig! Dat ze kon dansen, dat wist ik al -ze was jarenlang een kleine beroemdheid op de televisie. Echt waar!- maar verdorie, acteren en zingen kan ze dus ook prima. Aha, interessant, dacht de concertorganisator in mij, al weet ik nog niet waarvoor, dat schept mogelijkheden!... Ilke, hou je maar klaar, daar spreek ik je nog wel eens over. Wordt vervolgd!
Ik heb echt van de voorstelling genoten, oprecht hartelijk gelachen en -emotionele softy die ik ben- onverwacht intens meegeleefd met het lief en leed van de personages. Het super schattige piepkleine blonde meisje dat als ne grote elke tekst kende en uit volle borst alles meezong, de acteur-accordeonist die de volledig orkestpartij schitterend voor z'n rekening nam, de vele begeesterde jongeren, de gemoedelijke ouwe rotten... zo leuk allemaal. Vooral de zang met de hele groep vond ik indrukwekkend. Bijna beangstigend dreigend, en evenredig krachtig in overtuiging als in aantal in decibels! Amai, m'n oren. Cool!
En misschien was niet alles in de hele voorstelling van het zelfde niveau, of even juist, of even sterk, of wat dan ook, dat voegde wat mij betreft alleen maar extra charme toe.
De ijskoude wind en de hagelvlagen tijdens het eerste stuk van m'n reis huiswaarts brachten me in gedachten terug naar lang vervlogen tijden, m'n eigen kinderjaren waarin de wereld nog zoveel vredevoller en simpeler leek, en elke winter vol sneeuw en ijs. En even later stond ik met de zotte strakke wind in m'n wild flapperende losse haren kinderlijk gelukkig omhoog kijken naar een paar stralende regenbogen. "Ge wordt oud, Stinnewis", zei ik met een zucht luidop tegen mezelf, "als er steeds vaker van die verhalen over 'vroeger' en 'toen ik jong was' uit je rollen..." Al bewees vandaag me toch ook maar weer mooi dat m'n gezicht alvast nog een paar decennia achter loopt en dus -hoera- nog lang niet in de goeien ouwen tijd thuishoort... ;-)
Voor de tweede keer die ochtend biggelden er dikke tranen over m'n wangen, resoluut en niet te stoppen. Gelukkig dit maal niet van ellende of verdriet, maar van pure opluchting.
Geen 20 minuten eerder hadden de tranen ook niet tegen te houden en overvloedig gevloeid, en dat was van puur pijn, toen de dokter, zij het uiterst voorzichtig, het eerste plaatselijke-verdovingsspuitje in m'n nek prikte. Ik weet niet wat het is met dat spuitje. Zo venijnig en scherp dat het me, zonder fout elke keer weer, prompt dikke snottebellen laat snotteren en kwistig zwarte mascara-strepen op m'n snuit tekent. De verpleegster van dienst stopt me steevast direct een stevig pak tissues in de hand, maar omdat je op dat moment totaal niet meer mag bewegen drupte ik, kin op de borst, ook deze keer gelaten verder de voorkant van m'n tuniek en m'n keurig opgeplooide en netjes op m'n schoot neer gelegde vestje kletsnat.
Ik kon een verschrikte en harde 'auw!' echt niet onderdrukken toen de dokter z'n tweede naald in me stak. 'Oei', zei hij, 'doe ik u pijn? Dan zal ik u nog een extra verdoving bij geven!' 'Keurig stil blijven zitten en rustig ademen' droeg de verpleegster me de hele tijd op. Een beetje overbodig, want met de herinnering van m'n vorige bezoek daar in het operatiekwartier nog zeer vers in m'n geheugen durfde ik me sowieso amper bewegen...
Doch, na die tweede afgrijselijk scherpe prik verliep deze epidurale infiltratie bijna gedenkwaardig perfect. Zo mogelijk nóg voorzichtiger en alles dubbel controlerend ging de dokter uiterst zorgvuldig en intens rustig te werk. Uiteraard liet het toenemen van de druk tussen m'n wervels zich voelen, reageerden m'n armen heel even ijskoud op de ingespoten vloeistof en spoelde er een golf van kippenvel over m'n hele lijf, maar dat is volkomen normaal, absoluut niets om ongerust over te zijn of tranen om te laten.
Voor ik het goed en wel besefte was deze beproeving alweer voorbij. 'Ge zijt bijzonder flink geweest' zei de dokter goedmoedig, zoals een lieve opa tot z'n favoriete kleinkind spreekt, en gaf me een heel voorzichtig schouderklopje. En geloof het of geloof het niet: ik verwachtte op dat moment écht dat hij me nog een kleurrijke lolly in de hand zou stoppen...
Oprecht ontroerd bedankte ik hem uitgebreid en zowel hij als de aanwezige verpleegsters namen geïnteresseerd de flyers voor de komende kerstconcerten aan. (Ja, rond deze tijd van het jaar krijg je, zélfs onder dit soort omstandigheden, die dingen te pas en te onpas door mij in je hand gedrukt... Ik sleep ze dus tot in het operatiekwartier met me mee! hihi)
Eenmaal in de wachtkamer gerold barstte ik opnieuw in snikken uit, maar dit maal dus van de enorme opluchting die zich van me meester maakte. Als alles voorbij is besef je pas hoe vreselijk bang en gespannen je wel was...
Grappend over de niet waterproof zijnde mascara -ik zou ondertussen, na 8 keer, toch al zoveel beter moeten weten, hé- en het muzikaal-ritmisch niet samenlopen van de 'piep' van de hartslagmeter en de 'bliep' van de zuurstofsaturatiemeter verbruikte ik giechelend menig papieren zakdoekje -of waren het van die stugge handdoekjes?- zodat, tegen de tijd dat men mij netjes ingestopt en keurig half rechtop in het kussen liggend, als een koningin op haar troon bijna, terug in de grote gemeenschappelijke kamer binnen rolde mijn glimlach, breed van oor tot oor, helemaal droog en ontdaan van elke fout makeup-veegje, opnieuw oogverblindend stralend de ruimte kon vullen.
'Kijk, moeder, het zal wel meevallen, zenne. Deze mevrouw lacht nog steeds!' zei de vrouw tegen de oudere, blijkbaar net toegekomen, patiënte in het bed naast me. En terwijl ik haar positief bevestigend -uiteraard- uitgebreid verder geruststelde met een vrolijke babbel voelde ik onder de deken m'n van twee soorten tranen doorweekte vestje en dacht ik met een ingehouden, oprecht onschuldig grinnikje: 'Ze moesten eens weten...' 😁
Tijdens de zomervakanties van de eerste jaren van mijn lagere-schooltijd werd ons steevast -voor het gemak, zeker aan zee- een kort jongenskopke aangemeten, maar voor de rest heb ik altijd lang haar gehad, en dat hing zelden of nooit los. M'n lange lokken in twee staartjes met strikjes -zij die mij al langer kennen zullen dat beamen: die strikjes hoorden onlosmakelijk bij mij en m'n zussen- werden door de jaren één staart -uiteraard nog steeds met strik- om rond m'n achttiende in elkaar gevlochten tot een soort rozijnen-koffiekoek-met-ministrikje boven op m'n hoofd te belanden. En daar zijn ze gebleven, die haren van mij. Het type dot wisselde wel eens. Strak elk haartje op z'n plek, of sierlijk met feestelijke krullen, of kunstig ingevlochten, al dan niet aangevuld met 'valse' stukken en andere hulpmiddelen, als vanzelfsprekend ten allen tijde voorzien van een zeer stevige dosis haarlak om vooral niets, maar dan ook niets uit de band te laten springen, alles kon. Zolang het maar 'strak, hoog en bij elkaar' was. Kristina en haar dot, volgens mij is het voor de meeste van m'n vrienden en kennissen een meer dan vertrouwd beeld. Ik mag dan niet heel groot zijn en dus nergens bovenuit steken, door dat bolletje op m'n bolletje haalt iedereen me zonder probleem uit gelijk welke indrukwekkende massa!
Afgelopen 3, 4 decennia zag slecht bij hoge uitzondering eens iemand mijn haren los. De situatie of de persoon in kwestie moest al wel héél erg uitzonderlijk zijn vooraleer dat gebeurde...
Met de jaren komt de wijsheid -dat zeggen ze toch- en ging ik langzaamaan beseffen dat m'n eigenwijze haarstijl niet alleen deel uit maakte van mijn bijzonder herkenbare verschijning, van mijn 'imago' als je het zo wenst te noemen, maar nog zoveel meer een belangrijk stuk van mijn 'harnas' was. Zelfs voorzien van strikjes, lintjes, glitters, bloemen, vlinders en vogeltjes maakte m'n kapsel me een heel stuk 'strenger' en minder benaderbaar. En dat was na die vele jaren in gewelddadige relaties behoorlijk belangrijk. Samen met m'n 'veel-laagjes' kledingstijl -liefst ook nog zo vormeloos en lang als mogelijk- creëerde m'n strakke, harde en onaanraakbare haarstijl een beschermend omhulsel voor me, een zelf geconstrueerd, heel eigen pantser waarin ik me enigszins veilig kon voelen in die bedreigende wereld vol onbegrip, pijn en misbruik, in die maatschappij en tussen al die mensen waar ik -nog vaak eigenlijk- zo bitter weinig van snapte... Maar da's prima, zou ik zo denken, als je op die manier 'normaal' kan functioneren. We hebben immers allemaal zo wel ons ding om overeind te blijven, hé. Niet dan?!...
En toen, een klein jaar geleden, sloeg het noodlot toe. Allé, voor mij dan toch. Op een ochtend werd ik wakker in een bed volledig bezaaid met grote plukken haar. Mijn haar! Ongeveer de helft van de lengte was zonder enige aanwijsbare reden afgebroken. Zomaar, boem pats, ineens. Niet leuk, écht niet leuk, maar er schoot nog genoeg over om, mits de hulp van een paar 'donuts', nog steeds een keurige dot te kunnen fabriceren. 't Leven ging gewoon verder. Of misschien toch niet... M'n haar bleef afbreken en uit vallen, aan een schrikwekkend hoog tempo zelfs. Wassen boezemde me angst in, kammen en opsteken werden een ware nachtmerrie. En je kan je gerust nog jarenlang het hoofd breken over het waarom, dat helpt absoluut geen zier. Er moest gehandeld worden!
Maar 'k heb nog lang getwijfeld, hoor. Zo een drastische verandering na meer dan 30 jaar is ook niet niks, hé. Maar uiteindelijk stond het al van 't begin vast: er moest geknipt worden! Niks aan te doen.
En vandaag was de grote dag: Kristina zou voor het eerst in haar leven naar de kapper gaan. Gelukkig kwam vriendin Ingrid met me mee, voor de morele ondersteuning, want de zenuwen waren ook van de partij. Al bleek al gauw dat dat nergens voor nodig was. Een stel bijzonder lieve kapsters stelden me meteen gerust: slechts het onderste stuk van mijn haar moest er af en de rest, weliswaar erg dun, is gezond genoeg om mits een klein beetje ondersteuning zonder problemen opnieuw te groeien. En wat een verschil zo'n knipbeurt maakt! Oké, een dot maken zit er voorlopig niet in, daarvoor is er geen lengte meer, maar m'n haar ziet er wel weer levendig en gezond uit. En 't is nog net lang genoeg om al die honderden speldjes, bloemetjes, strikjes en vlindertjes niet voorgoed te moeten opbergen. Ik kan er zelfs nog een bijzonder schattig bol staartje mee maken. Hoera! En, er is nog meer! Terwijl de kapster vlak achter me druk in de weer was had ik niets anders te doen dan in die grote spiegel vlak voor me naar mezelf te kijken, en, heel speciaal, mezelf zo plots als voor het eerst écht te zien, met het meer dan bevrijdende beseft dat m'n strakke kapsel als bescherming reeds lang overbodig was!... En heel eerlijk: 't was me voor het eerst ook even heel duidelijk -doch 'gewoon', hoor, zonder stoefen of kapsones en zo- da'k eigenlijk toch inderdaad wel een wreed schone madam ben. Als ge zoiets van uw eigen moogt zeggen natuurlijk... 't Zijn die ogen, hé, 'k snap het.
Ja, 'k ben oprecht super content met m'n geknipte haartjes. Een beetje als nieuw en toch ook weer niet. En 'k moest Ingrid beloven dat m'n haar vanaf nu veel vaker -of misschien wel altijd, we zullen zien- zalig los mag wapperen in de zotte wind. "Dot of geen dot, lang of kort haar, ge ziet er nog altijd als een diva uit!" voegde ze er lachend aan toe. En om dat nooit meer te vergeten heb ik die uitspraak dan ook maar niet uit dit verslagje geknipt. 😉