Posts tonen met het label verdriet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verdriet. Alle posts tonen

zaterdag 8 juni 2019

Woeste wilde klote wind.

Het grote bed is warm en knus. Tussen de overvloed aan kussens voelt het veilig en geborgen. De dikke suède gordijnen houden moeiteloos de wereld buiten. De wekker wijst al 2 uur in de ochtend en alles aan mijn lichaam voelt zwaar en loom. Mijn ogen kan ik nog nauwelijks openhouden. En toch... Ondanks dit heerlijke zachte en roze oord blijkt tot rust komen en de slaap vinden een onmogelijke opgave. De genadeloos felle storm met z'n woeste wilde wind daarbuiten benauwd me mateloos. Verscholen onder het dekbed luister ik angstig naar alle vreemde en vaak verontrustende geluiden. M'n twee schattige viervoeters, ook lichtjes over hun toeren door al het brute geweld daarbuiten, verbergen zich mee onder de fleecejes en trachten zichzelf en elkaar te troosten met stevig geronk. Alles om ons heen piept en fluit nonstop. Overal rammelt en klettert het dat het een lieve lust is. En tussen het tegen de ramen en kasseien knallende rondvliegende puin en afval horen we -uiteraard- ook de vuilnisbakken weer 'vertrouwd gezellig' mee in het rond denderen. Het hele gebouw davert op z'n grondvesten en stampt als een schip dat heldhaftig de woeste golven van een intense storm op volle zee trotseert.
Al 5 maal verliet ik m'n behaaglijke beddengoedburcht om nerveus door alle kamers van het huis te lopen en van achter elke venster de genadeloze geseling van de planten op m'n terras hoofdschuddend en wanhopend gade te slaan. Nee, er is echt niks meer dat ik nog méér kan doen om m'n geliefde groen veilig te stellen. Ik kan nog 20 keer komen kijken, het helpt geen ene moer. Alles wat kon weg- of omwaaien is binnen gebracht, extra vastgebonden of op een beschutte plek geplaatst. Alles wat ik op de één of andere manier extra bescherming of ondersteuning kon geven, heeft dat ook gehad. Er rest mij niets anders dan gelaten het terras verder de foltering lijdzaam te laten ondergaan en zelf zo goed als mogelijk geduldig het einde van de storm af te wachten.
Terug tussen de warme lappen vroeg ik me af waar die vele vogeltjes, die mijn terras tot hun favoriete speelterrein en restaurant maakten, zich nu in 's hemelsnaam verschuilen. Zouden die ergens in een boom als koude, natte bolletjes veren in elkaar gedoken zitten bibberen, zich in ware doodsangst met een onwaarschijnlijke kracht vastklampend aan één of ander takje? Waar verstoppen al die zalig brommende donzige hommels zich bij dit soort noodweer? En de immer zo naarstige nectar verzamelende solitaire bijen? En, ja, ik hoop ook maar dat al de rondzwervende poezen uit de buurt, lief of wild, maakt niet uit, vannacht allemaal ergens naar binnen mochten... 
Uiteindelijk won de geborgenheid van m'n roze nest lakens, dekens en kussen het van m'n bezorgdheid en angstgevoel, en overmant door vermoeidheid viel ik ten langen leste dan toch in een diepe droomloze slaap.
De ravage vanochtend was niet te overzien. O, wat heb ik er een spijt van, zo ontzettend veel spijt, dat ik, zoals ik nog grappend aan m'n moeder zei -om het haar zonder een bezoekje toch te kunnen laten bewonderen- m'n uitgebreide bloemenweelde de afgelopen weken niet gefilmd of gefotografeerd heb, toen alles nog zo oogverblindend mooi, betoverend prachtig, verleidelijk kleurrijk en verrukkelijk overdadig als een waar oerwoud de smalle terrasruimte vulde... Er is niets, absoluut niets van over.
Overal liggen afgebroken takken en vermorzelde bloemen. Stevige steunstokken en ongenaakbare metalen klimtorens braken af of wiebelden zich, alles om zich heen meesleurend, uit de grond. Zelfs zware terracotta potten vielen om, hun inhoud vergruizeld over het terras strooiend. De van de muur gehaalde en goed beschut opgestelde insectenhotels liggen als door elkaar geschopt verspreid over de stenen vloer, de secuur opgebouwde en gevulde voorraadkamertjes voor een deel geruïneerd. Slechts een aantal korte en daardoor iets stevigere geraniums laag bij de grond en de dicht op elkaar gepakte kleinere plantjes in de lange 
propvol beplante bloembakken voor het keukenraam behielden hun felgekleurde bloemweelde. Absoluut elke andere bloem is verdwenen, alsof ze er nooit waren. De bijzonder lang afhangende, uitbundig bloeiende tweekleurige geraniums, uitzonderlijk overgebleven van vorige zomer, hadden dus minder geluk en zijn volledig geamputeerd: geen van hun lange armen overleefde het geweld. De dit jaar voor het eerst schitterend bloeiende rozen vervlogen als in rook, de vriendelijke viooltjes lijken in een vlaag van woede platgewalst, de veelkleurige petunia's en schattig gestreepte million bells één voor één ruw afgerukt en fijngeknepen. De vele overdadig fleurige clematissen verloren niet alleen elk van hun duizenden bloemblaadjes, maar zijn stuk voor stuk zelfs volledig tot stompjes afgebroken, precies door de hakselaar gehaald en tot moes geplet. Alle groene bladeren van de -gelukkig- nog niet bloeiende vlinder- en hibiscusstruiken zijn door de niet afhoudende wind bij elkaar gefrommeld, verschrompeld, alsof iemand er urenlang een hete haardroger op richtte. Tussen en rond de vele potten vormen zich puin- en modderhoopjes, een mix van zand en water met amper herkenbare blad- en bloemresten en bij elkaar geblazen stukken afval. Daar sta je dan met al die moeite die je je getroost om de natuur, de vogels, de insecten enz. te ondersteunen... Om maar te zwijgen van de intense vreugde die mij dit 'buitenverblijf' elke dag in overvloed schenkt... Zucht.
Versta me nu vooral niet verkeerd, hé. Ik wéét dat het qua leed absoluut en in de verste verten niet te vergelijken valt met bijvoorbeeld een tornado of een tsunami die je hele hebben en houden, je volledige leven in één fataal woest natuurmoment totaal aan gruzelementen slaat en voorgoed weg vaagt. Maar geloof me, ik kan me er nu toch wel een beetje iets bij voorstellen... 
En die woeste wilde wind, die raast nog steeds onverminderd en onverstoorbaar woedend verder. Alsof hij niet wil bedaren vooraleer hij echt elk takje, elke bloem, elk blaadje, alles waar ik met zoveel liefde voor zorgde, tot mulch geklopt heeft!...
Berustend maar ook behoorlijk verdrietig en met een zwaar gemoed -en op de achtergrond het geluid van brandweerwagens en ambulances, want de schade beperkt zich uiteraard en ook jammer genoeg niet enkel tot mijn terras- ruim ik heen en weer slingerend de aangerichte ravage een beetje op, zo goed en zo kwaad dat al kan, ondertussen ook zelf stevig door elkaar gerammeld door de heftige windstoten. De afgebroken geranium- en clematistakken -misschien schieten ze nog wortel- en andere nog enigszins te herkennen bloemen krijgen een plekje in allerlei vaasjes en bakjes, veilig binnen in huis. Stokken en steunen duw ik stevig weer op hun plaats. Waar mogelijk verplaats ik nog wat en klem ik potten bij elkaar of verzwaar ze met een kei of twee, zodat ze hopelijk wat steviger staan voor de rest van dit gure weer...
Terwijl ik zo bezig ben, breekt stralend -'niks aan de hand'- de zon door. En als afgesproken landt er meteen, een beetje onhandig en duidelijk serieus verwaaid, ook een eerste moedig meesje op het voederplankje. 
"De natuur geeft zich niet zo gauw gewonnen!", bedenk ik me ondanks alles verheugd. Met een flinke portie liefde en zorg, plus uiteraard een ruime dosis geduld, herstelt de pracht van mijn terras zich vermoedelijk ook wel weer. Positief denken en met goede moed vooruit dus! 
Ja, wij mensen zijn maar kleine nietige en kwetsbare wezens, en Moeder Natuur neemt en geeft, willekeurig en in alle opzichten 'gul', exact zoals het haar en haar alleen uit komt, da's wel weer duidelijk, overduidelijk zelfs. En al daar ben ik daar al heel vaak bijzonder dankbaar voor geweest, wat mij betreft mag ze die woeste wilde klote wind gerust houden, hoor. 😉



dinsdag 27 februari 2018

Blijven oefenen met ademen.

"Hoe is het in 's hemelsnaam mogelijk dat ik dát niet meer weet!!!" dacht ik in eerste instantie uitermate verwonderd, en een beetje lachend met mezelf. Alsof ik niet alleen totaal vergat hoe te moeten ademen, maar op de koop toe blijkbaar ook al erg lang m'n adem volledig in hield!... 
De alweer hemelse repetitie, ondanks de diepvriestemperatuur van de kerk, met organist Peter Maus, voor de concertmis van vorige week zondag bracht me even compleet van m'n stuk: het overviel me volkomen hoe plots m'n hele lichaam weer vol zuurstof stroomde, en daardoor ook weer vol leven. Hoe ineens elke vezel van mijn lijf mee begon te jubelen op de tonen van de indrukwekkende muzieklijnen van onze geliefde Wagners en Straussjes die, alsof het maar niks is, weer als vanouds, bijna uit zichzelf uit m'n strot stroomden, zorgeloos vrolijk dansend op de wolkjes van mijn adem de met ijslucht gevulde enorme open ruimte van de kerk in. Het was als een heerlijk thuiskomen in mezelf, een 'mezelf terugvinden', voor heel even los van en ver verheven boven de donkere diepte van de depressie. 
Zingen is ademen, zingen is leven! En hoe was het dan in godsnaam mogelijk geweest dat ik zulke, voor mij, levensbelangrijke informatie ergens in een vergeethoekje opgeborgen had?!
Bij de concertmis zelf, twee dagen later, zondagochtend, 'ademde' er iets al een beetje minder... Het voelde wat benepen eigenlijk. En later die dag viel mijne frank -allé mijnen euro tegenwoordig, hé- over het waarom. 
Er blijft nog zo verschrikkelijk weinig over van die sowieso al minimale zangcarrière van mij. Die enkele keren per jaar dat ik nog eens ál m'n registers kan en mag opentrekken zijn steeds schaarser, en daardoor ook heel erg dubbel. Uiteraard ben ik dan meer dan dolgelukkig, elke keer weer. Uiteraard ademt heel mijn zijn dan nog eens volop. Maar 't is ook altijd zo ontzettend verdrietig omdat er eigenlijk nooit ergens een vervolg aan komt en er tussen elke zangmoment oeverloos veel tijd verglijdt...
En natuurlijk is het fenomenaal fijn om na zo een concertmis bij pot en pint van mensen 'uit het vak', mensen die 'het kunnen weten', te mogen horen dat je potverdorie écht wel een serieus stukske kunt zingen, en je een zeer uitzonderlijk talent en orgaan bezit. Maar daar heb ik nu, in deze fase van m'n leven nog zo verschrikkelijk weinig aan, hé. Ja, als dramatische sopraan, met een straf instrument dat zowat álles overleeft -echt, ge kunt het u zo gek niet bedenken- heb ik, meer dan de andere zangstemmen, het potentieel om op m'n 80ste nog steeds met verve de zwaarste klassieke aria's ten beste te geven, maar wie heeft daar boodschap aan? Ik zou het echt niet weten.

Afgelopen zondag werd ik door een lieve vriend getrakteerd op een voorstelling van 'La Bohéme' van G. Puccini, rechtstreeks live vanuit The Met in New York, geprojecteerd op één van de grote schermen in Kinepolis. En extra boeiend met uitgebreide uitleg, plezierige interviews met de vedetten en ook steeds een volledige weergave van elke decorwissel. La Bohème is een opera waar ik zelf erg fijne herinneringen aan heb als koorlid bij de toenmalige Vlaamse Opera. En ik heb intens van die voorstelling afgelopen weekend in de cinema genoten, maar in het donker van de zaal rolde er menig traantje onopgemerkt in stilte over m'n wangen. Want daar voor me, daar vooraan op dat witte doek, zag ik nog een keertje die wereld waar ik me nog steeds het meest thuis voelde, waar ik al zovele decennia totaal geen deel meer van uit maak, en waarnaar ik vermoedelijk ook nooit meer terug zal keren...
Dus, puur uit zelfbehoud, om mezelf van immense pijn en verdriet te behoeden, berg ik 
op al die vele dagen, die vele lange weken en maanden dat er niets te zingen valt, zowel bewust als onbewust dat 'ademen' ergens diep in mij weg, veilig en ongezien in één of ander vergeethoekje. Dan regeert m'n zoveel meer introverte kant. Dan is alles in mijn wereld ingetogen en stil, weken lang. Dan schrijf ik, alleen, thuis, met slechts de poezen, de planten en de geluiden van de tuin en het gebouw om me heen. Maar dat kan ook heel erg mooi zijn. En o ja, wees gerust, binnen in mij weerklinken er hele dagen duizend-en-één liedfragmenten, maar het occasionele nootje dat me op die dagen al eens neuriënd ontsnapt bij de afwas of onder de douche, dat komt uit een totáál andere wereld -ze konden niet méér verschillend zijn- dan die van 'de grote klep'...
En toch. 't Kan erg snel keren. Geef me één kleine aanleiding om te zingen en de sluisdeuren met lucht vol muziek en zang zwaaien wijd open, met een ware vloedgolf van alle mogelijke kleuren en klanken. En alleen dat kleine beetje buiten adem zijn, het af en toe nét niet toekomen op het eind van een zin -wat zelfs m'n meest vertrouwde fans en doorwinterde begeleiders, zij die mij als zangeres echt door en door kennen, niet eens opvalt- verraadt dat ik weken-, misschien zelfs maandenlang niet één écht zanglijntje ten beste gaf... 
Het is een geruststelling, het is een bijzonder fijne geruststelling besef ik nu. Zelfs als ik voor m'n eigen dagdagelijkse levenscomfort het 'ademen' tijdelijk -voor korte of lange tijd- ergens diep in me opberg, weet ik wél dat 'het' er áltijd nog is, klaar om, indien nodig of gewenst, in al z'n formidabele grootsheid, inclusief decibels en boventonen, feestelijk juichend los te barsten. Als je dat kleine beetje gebrek aan conditie over het hoofd wil zien, uiteraard. Dus, blijven oefenen met ademen, hé, altijd blijven oefenen met ademen!... ;-) 




dinsdag 26 december 2017

Zeg niet te gauw: 't is maar een vis...

Al de hele dag tracht ik vruchteloos m'n al twee dagen over tijd zijnde kerstblog af te werken. Maar het gaat me niet. 't Ontbreekt me aan focus. Rechts achter me borrelt en bruist de waterfilter van het aquarium. In m'n ooghoek zie ik de speelse weerkaatsing van licht op bewegend water. Geluiden en beelden die ik onlosmakelijk associeer met mijn goudvis. En uit jarenlange gewoonte kijk ik met regelmaat opzij om even iets tegen m'n vis te zeggen... Maar de bak is leeg. M'n zo stralend en blinkend oranje maatje ligt, helemaal dof geworden en in ongepast feestelijke kerstservetjes gewikkeld, in een gesloten plastieken doosje op het aanrecht in de keuken te wachten op z'n begrafenis. 
Toen ik gisteren in de vroege namiddag thuiskwam na het zingen van een kerstviering hing hij, zijdelings in een u-vorm gebogen, boven in z'n glazen waterhuis wanhopig te flappen, al z'n schubben rechtop als wou hij een dennenappel imiteren. De expert van de dierenwinkel kon, tot ook zijn verdriet, slechts vertellen dat mijn vis met 99% zekerheid een ingewanden-aanvretende bacteriële infectie had en dat hij die onmogelijk kon overleven. Vermoedelijk woekerde die infectie al een paar weken in hem, maar omdat mijn goudvis altijd al een ontzettend kalme, zeer bedaard zwemmende of rustig rondhangende waterbewoner was viel het me -tot mijn ontzettend grote spijt- niet op dat hij ergens mee zat... tot het al veel te laat was om er nog iets aan te kunnen of proberen verhelpen. 
Vanmiddag is hij na een toch nog lastige doodsstrijd, stil in het water liggend op z'n zij, ondersteund door mijn hand en begeleid door mijn stem, gestorven. En noem me nu gerust een sentimentele dwaas of een overgevoelig getikt geval, -dat mag, het maakt me echt niets uit, denk er van wat je wil- ik heb er sinds gisteren al serieus wat tranen over gelaten, over dit zo plotse afscheid. 
'Zeg, komaan, het is máár een vis, hé!' is al snel de reactie als je zoiets verteld. Maar misschien kan je het beter begrijpen als je weet dat die ene goudvis al 14 jaar op z'n gemakje als een vaste waarde door de dagen van mijn leven zwemt. Da's verdorie zelfs dubbel zoveel tijd als de jaren van de langste relatie die ik in dit leven met een mens had telde, bedacht ik me daarnet... Niet echt 'zomaar' een vis dus, maar een volwaardig huisdier, een waarachtig lid van mijn ietwat bizarre gezinsgezelschap.
Van dat korte geheugen bij goudvissen is trouwens absoluut niets waar: hij kende mij zoals ik hem kende. Er zat een zekere regelmaat in het voeren, in het poetsen van z'n leefruimte en dergelijke interacties, kortom in het leven hier zo tussen mens en vis, en die routines kende hij verdraaid goed! En als hij iets nodig had wist hij exact hoe mijn aandacht te trekken. Elke morgen weer deden we elkaar een goeiendagske. Dan zag je de herkenning in z'n blinkend zwarte oogjes en een soort vreugde om me te zien. De hele dag volgde hij me in al m'n doen en laten, en als ik 's avonds aan de computer, dus vlak naast hem zat zag je meneer vis geïnteresseerd meekijken. En dat verzin ik niet, hoor. 
Zelfs met de poezen was er een soort relatie, iets meer met Poekie dan met Pompon, maar dat ligt aan hún zeer verschillende karakters. Poekie lag -en echt waar: los van elk soort jachtinstinct- maar wat graag in z'n zachte mand naast het aquarium met z'n neus tegen het glas naar de elegante bewegingen van ons onderwaterkameraadje te kijken en dan kwam Vissie-vis -zo noemde ik hem- gezellig langst hem heen en weer zwemmen, nieuwsgierig oogcontact makend. Van schuchterheid of angst geen spoor.
'Goh', zeiden de mensen in de dierenwinkel, 'als hij al minstens 14 jaar is, dan heb je hem wel geweldig goed verzorgd, hoor! De meeste vissen worden niet zo oud!' Misschien is dat wel zo, maar het neemt m'n schuldgevoel niet weg. Onrechtstreeks heb ik immers zelf mijn vinnige ventje de dood in gejaagd, met al die 'goede zorgen' van me...
Door jarenlang stilletjes te groeien -uiteraard, da's nogal logisch- was m'n goudvis z'n vertrouwd simpele bak eigenlijk al een tijdje echt wel te klein geworden. En daar ik voor alle levende wezens waarvoor ik de verantwoordelijkheid op me nam de allerbeste levensomstandigheden tracht te verzien, kocht ik mijn vergulde zwemmerke afgelopen oktober een zoveel ruimer en voor het eerst volwaardig aquarium met alles er op en er aan. En natuurlijk meteen ook een volledige set nieuwe 'meubelen' om al die ruimte wat gezellig aan te kleden. Namaakstronken en -takken, plantjes, extra stenen... de hele reutemeteut!
Gezellig, boeiend en knus voor hem om in te leven, en gezellig, boeiend en mooi voor mij en de poezen om naar te kijken! 
En nu blijkt dat er, ondanks alle voorzorgsmaatregelen -alles op voorhand goed afspoelen, eindeloos waterkwaliteit checken en langzaam mixen, positieve elementen in de biofilter ruim de tijd geven om in gang te schieten, enz.- zich dus toch nog ergens een levensbedreigende bacterie heeft kunnen nestelen. En die heeft zich vermoedelijk van dag één op z'n nieuwe gastheer, mijn goudvis, gestort... Zo is mijn 'zorg-dragen-voor' en die daaruit volgende verhuis van z'n vertrouwde studiootje naar een volwaardig glazen huis mijn Vissie-vis dus fataal geworden.
En ja, hij was zeker al 14 jaar oud, maar een gelukkige, goed verzorgde goudvis kan makkelijk 20 tot 30 jaar leven, dus zonder die onvoorziene vreselijke aquariumgast had hij absoluut nog veel langer gezellig naast me kunnen verder zwemmen...
Vissie-vis was misschien maar een doodgewone goudvis, maar ik mis hem toch. Na zoveel tijd samen ben je echt wel aan die -zelfs zulke simpele- aanwezigheid gehecht. En ik besef echt wel dat niets op deze aarde voor eeuwig leeft, werkelijk niks of niemand, en daar boven op de kans zeer groot is dat je je lieve huisdieren overleefd... En toch, dat zo plotse hevige afzien en/of heengaan, daar wen je absoluut niet aan, hé. Met niets of met niemand...
Al zal ik m'n zo mooi goud-oranje Vissie-visje niet gauw vergeten, als het aquarium over twee, drie weken weer helemaal ontsmet en veilig zal zijn, na ettelijke biologische cycli met bacterie-vernietigende natuurlijke waterbehandelingen en dergelijke, dan komen er toch weer nieuwe fel oranje Vissie-visjes, een stuk of drie, dat staat al vast, want ik zou zulk vrolijk, dartel en vochtig gezelschap met z'n ontzettend hoog zen-gehalte veel te veel missen.
In afwachting van verwen ik gewoon met nog meer overtuiging Poekie en Pompon, die lieve snoezige katers van me, met 
extra veel knuffels en leuke spelletjes, en dan lukt het me zeker om weer helemaal rustig te worden en vrij van de tranenstromen bij dit kleine doch bijzonder aangrijpende huiselijke drama, en misschien eindelijk ook om die al zo laat zijnde kerstblog nog eens af te krijgen. Want daar mag ik wel mee opschieten, hé, of 't worden nog 'vijgen na Pásen'... ;-)








woensdag 1 november 2017

Klein horror-verhaaltje.

'k Weet dat ik het al zo vaak gezegd heb, maar ik ga het tóch nog eens moeten zeggen: ik kan toch echt nooit eens iets gelijk ne normale mens doen, hé!...
Vanwege m'n nieuwe nekproblemen -zelfde probleem als voorheen, maar één wervel hoger- mocht ik gisterenochtend op bezoek bij de sympathieke Dr. Lasters voor een mij hopelijk van pijn verlossende epidurale prik. Die dokter ken ik al behoorlijk goed, van al die zovele eerdere verdovende spuitjes die hij me reeds een paar jaar geleden mocht zetten. Een bijzonder vakkundige, hartelijke, zachtaardige opa met een oprechte interesse in z'n patiënten. Zo wist hij nog zeer goed dat ik zangers was en vroeg of er dit jaar ook weer van die leuke kerstconcerten kwamen. Fijn toch, niet dan?
Bon, de gang van zaken was me bekend: netjes op de rand van het bed zitten, keurig in 't midden tussen het röntgen-apparaat dat me altijd doet denken aan een reuzegrote koptelefoon, kin op de borst -allé ja, zover ik dat nog kan met al die reeds gefixeerde wervels- en dan graag volledig tot rust komen. De verpleegster plakt een bescherming, een soort operatiedoek, langst de rand van m'n t-shirt, veegt m'n weerbarstig nekhaar daadkrachtig in een mutsje en ontsmet m'n nek met iets dat fenomenaal koud aanvoelt. Ondertussen babbelt ze honderduit met mij over klassieke componisten, kwestie van de patient relaxed te houden, af en toe onderbroken door de dokter die nog een waslijst medische vragen heeft en ijverig de antwoorden in de computer tikt.
Het eerste spuitje, de verdoving vóór de eigenlijke infiltratie, da's de meest venijnige prik die je je kunt voorstellen. Elk haartje op je armen en benen staat er rechtop van en je voelt het nazinderen in elke vezel van je lijf. "Rustig blijven ademen" zei de verpleegster moederlijk...
Van de daaropvolgende prikken voelde ik, behalve het herhaaldelijk krachtige duwen van de dokter, al die zovele vorige keren erg weinig. Eerst een naald tot vlak naast de zenuw, dan het inspuiten van contrastvloeistof -effe checken of ze 't juiste plekje hebben, hé- en dan is het beetje bij beetje de beurt aan de eigenlijke verdovende stof, met eventueel een plots hittegevoel in een arm of in beide armen. Daarna mag je nog 30 minuutjes tot een uur rusten om de plaatselijke verdoving te laten wegebben, dan ben je klaar en mag je beschikken. 
Da's dus in regel de gewone gang van zaken. Zo gaat dat met 'normale' mensen...
En nu voelt u hem natuurlijk al komen: zo ging het dit maal dus niet met mij. Verre van. 
Bij het inspuiten van de lang werkende verdovingsvloeistof ging het mis. Meteen over de hele lengte twee ijskoude armen en handen, het gevoel alsof er mij iemand met een hamer een stevige klap op het achterhoofd gaf, en op de prikplaats: pijn. En dan bedoel ik: PIJN!!! Echt, met geen woorden te beschrijven schreeuwende pijn. Terwijl een vloedgolf aan tranen spontaan en onbeheerst over m'n wangen stroomde bleef de verpleegster me met aandrang aanmanen rustig te blijven en vooral niet te bewegen. Wat ik met een bijna bovenmenselijke zelfbeheersing -braaf als ik ben- ook keurig deed. Al was het maar om het afzien niet nóg erger te maken, hé...
De wondverzorging en de rest van den opkuis heb ik niet meer bewust meegemaakt. Ze hadden me nog net op tijd kunnen opvangen en me plat in m'n bed gelegd. Totaal over m'n toeren en verschrikkelijk huilend van ellende hield ik met twee handen m'n arme hoofd vast, want dat kon volgens mijn aanvoelen elk moment met een enorme knal uit elkaar spatten. Op mijn borstkas had zich niet minder dan een olifant of zo neergezet. Mijn keel werd als door een bankvijs toegeknepen en zwol helemaal op. Maar de verschrikkelijke benauwdheid die daaruit voortvloeide verdween in het niks bij de duizend messen die overduidelijk mijn hele rug aan flarden reten. 'k Was de dag al afschuwelijk mottig begonnen, door de pijnstillers die me de voorbije maand op de been moesten houden, dus durfde ik ondanks dat alles nauwelijks bewegen uit angst ook nog eens het hele operatiekwartier onder te kotsen...
Gelukkig -allé ja- was ik niet de eerste -en vermoedelijk ook niet de laatste- patiënt wiens lijf nogal vervelend reageerde op deze epidurale. Ze kenden dus de symptomen en wisten wat te doen. Terwijl m'n hartslag en ademhaling gemonitord werd legden hele zorgzame en echt super lieve verpleegsters me in alle kalmte aan een baxter met pijnstillers. Jawel: pijnstillers om de gevolgen van de pijnstiller te verhelpen. Zelfs in die toestand vond ik dat ronduit hilarisch! Echt. 
De chirurg kwam ook regelmatig even kijken, oprecht bezorgd en om eventueel wat bij te sturen. Zijn duidelijke uitleg stelde me enigszins gerust: omdat hij exact op die plek waar de discus al zwaar op m'n ruggenmerg duwt ook nog eens een stevige hoeveelheid vloeistof in moet spuiten was in mijn geval de druk op de zenuwen in m'n rug plots zodanig groot dat m'n hele lijf het er van uitschreeuwde en niet beter wist dan efkes het licht volledig uit te doen.
Het kostte me nog een tweede baxter en een paar ongemakkelijke uren verdwaasd, mottig en veel te plat in het ziekenhuisbed voor ik me heel langzaam weer een beetje mezelf begon te voelen. Ondertussen zag ik patiënten gaan en komen, zelden langer aanwezig dan een half uurtje. En zowel een stroom verplegend personeel als een aantal medepatiënten passeerden langs m'n bed om te checken of ik oké was. Alweer zoveel leuke mensen leren kennen en zoveel boeiende verhalen en belevenissen gehoord! Ja, zelfs zo totaal onverwacht een paar uur lang bewegingloos moeten platliggen in een gemeenschappelijke hospitaalzaal heeft zo zijn mooie kanten... En dat meen ik, hoor.
Nog een hete kop thee met veel suiker en een koekje later verlangde ik zodanig naar m'n eigen bed dat ik toch maar heel voorzichtig huiswaarts geschuifeld ben. Ja, te voet, en met de tram. En daarom ook met dikke dikke tranen. Nee, niet meer echt van pijn, al was die er uiteraard ook nog, maar wel van verdriet. De hele dag lang had ik dames ouder dan mijn moeder om me heen gezien, allemaal stuk voor stuk begeleid door hun partner. En toen de bezorgde verpleegsters me vroegen of ik door iemand opgehaald werd kon ik niet anders dan afschuwelijk emotioneel vertellen over die laatste epidurale, een dikke 5 jaar geleden, toen mijn vader nog met me meegegaan was en me ook weer veilig thuis gebracht had...
Na een ontzettend lange nacht vol oeverloos verdriet, ongemak en pijn -te warm, te koud; in het bed, uit het bed; in de zetel, uit de zetel; licht aan, licht uit; de poezen raakten er helemaal de kluts van kwijt- ben ik, zo stijf als een heksenbezemsteel en over alle nog steeds aanwezige pijn heen, toch de Allerheiligen-mis gaan zingen. En het was mooi, intens mooi. De teksten van de priester, de liederen van het koor en omringt zijn door zoveel lieve mensen, het bracht emotionele rust. En -g
eloof me, ik kijk er zelf ook nog altijd van op- zelfs onder dit soort omstandigheden zing ik alsof er niks aan de hand is. Volgens ons moe vandaag zo mogelijk nóg beter dan anders. Komt dà tegen! Maar, alle gekheid op een stokje, het heeft me diep deugd gedaan. En die borrel bij de koffie achteraf, die had ik àbsoluut verdiend.
De weg naar beterschap gaat duidelijk niet echt over rozen, maar het komt helemaal goed, maak je maar geen zorgen. En positief en optimistisch als ik ben zag ik heel die griezeldag meteen als een kado: intens voelen dat je leeft, weten dat echt elke dag telt, en voor de rest met elke vezel in je lijf en uit volle borst zingen zolang het nog kan! Het zal wel zijn, verdorie!
En uiteraaaaard, wat had je gedacht, lag ik gisteren in het ziekenhuis al na te denken over het heerlijke horror-verhaal dat ik -o de ironie, o de zaligheid- juist gepast voor Halloween kon neerschrijven!... Wat zou je in 's hemelsnaam nog meer willen!? Gewéldig, toch! hihihi 😉

























dinsdag 1 maart 2016

Schoolstraat 69: verkocht!

Alle mogelijke en nodige documenten zijn goedgekeurd en door alle betrokken partijen ondertekend. Het geld is overgemaakt, verdeeld en reeds op weg naar nieuwe doelen en begunstigden. Het huis met z'n gevel in rode baksteen, met achter de grote vitrine altijd seizoens-aangepaste en bijzonder originele decoratie -waar voorbijgangers steeds graag even bij stil stonden-, en de houten garagedeur met al sinds mijn jeugd 'het belletje' dat bezoekers aankondigt... dat huis, het is niet meer van ons. Het heeft nieuwe eigenaars. Mijn familie sloot vandaag een belangrijk hoofdstuk in z'n geschiedenis. En het maakt me zowel verdrietig als blij. 
Ja, ik neem afscheid van de vertrouwde ruimte waar ik zoveel jaren gewoond heb en daarna nog eens zo lang naar terug keerde voor elke soort familiale gelegenheid of gewoon zo maar, naar va en moe op bezoek.
Heel lang geleden zag ik als ukkiepukkie hoe de nonkels, grootvaders en onze va het piepkleine arbeiderswoningske op deze plek letterlijk omver duwden, en hoe het vrijgekomen terrein zich langzaam opvulde met muren, deuren, ramen, trappen... exact zoals ze er vandaag nóg staan en de zovele kamers vormen waar een leven lang herinneringen aan vast hangen. 
Of misschien zeg ik beter 'verschillende levens herinneringen', want behalve dat het gezin zowiezo al zeven personen telde liepen er ook nog eens constant vrienden, kennissen, buren, klasgenootjes, pleegkinderen, enz. enz. binnen en buiten. Vandaar dat belletje aan die immer open garagedeur natuurlijk.
Jarenlang heb ik met m'n zus een kamer gedeeld, een tijdje zelfs een bed. De zolder, waar we urenlang verkleedpartijtjes hielden, werd later mijn tienerkamer, een knus eigen stekje hoog boven de 'massa' met uitzicht op de enorme tuin. Toen ik bij mijn eerste huwelijk het ouderlijk huis verliet erfde m'n jongste broer het voorrecht daar te mogen vertoeven.
In de kelder, eindeloos lang, groot en breed, werden menige wedstrijden gerolschaatst op de gladde betonnen vloer en aan de werkbank van onze va, boordevol gereedschap, ontelbare creatieve uitvindingen gefabriceerd. 
Aan de bijzonder lange eettafel schoven bij elke hoogdag tot wel 16, 17, 18... familieleden en 'bijbehorenden' aan voor de festiviteiten, waarvoor onze va gehuld in schort en koksmuts al dan niet bedenkelijke, min of meer eetbare maar zowiezo onvergetelijk 'verrassende' gerechten uit de potten toverde.
In het kleine salon zaten we lang geleden op elke zaterdagavond fris gewassen in onze pyjama voor de televisie, op 2 rijen achter elkaar wegens plaatsgebrek, en aten vers gebakken frietjes. En we ergerden ons altijd aan ons moe, op de eerste rij, dus in onze gezichtsveld, als ze eindeloos knikkebollend in slaap viel.
En de tuin, die fàn-tàs-tische tuin, dat zijn nóg eens duizenden verhalen!...
Och, ik zou makkelijk een boek of 2, 3 vol kunnen schrijven over het huis op nummer 69, en de komende tijd horen we vast iets vaker 'weet ge nog dit, of dat, en toen...', maar het is goed om het huis nu los te laten.
Het doet me trouwens minder verdriet dan je wel zou denken. Op zeker dag verlaat je dat nest en bouw je langzaam maar zeker je eigen veilig thuis op, en dan wordt het ouderlijk huis zowiezo al meer een verzameling memories in je hoofd, meer dan dat het nog een echt toevluchtsoord is.
En met het overlijden van onze va bleef er eigenlijk nog slechts een hol omhulsel over, veel te groot, veel te stil, zonder leven, letterlijk en figuurlijk koud. Een lege doos waarin ons moe nog wat verloren rond liep, onbewust op zoek naar iets dat al lang en voorgoed verdwenen is. 
Zij gaat nu elders ook voor het eerst hààr eigenste nest creëren, en geloof me: al sinds weken volledig ingepakt en verhuis-klaar heeft ze er ontzettend veel zin in! Ze springt nog nét niet op en neer van spanning en enthousiasme.
De nieuwe eigenaars, jonge mensen met 2 kindjes, staan ook al een tijdje ongeduldig in de startblokken te trappelen om de bakstenen en het beton weer nieuw leven in te blazen. De komende maanden zal er afgebroken, heropgebouwd en gemoderniseerd worden. En dan zullen er opnieuw schetterende kinderstemmetjes klinken in alle kamers, er zal als van ouds gelachen en geruzied worden, op de trappen er zal terug druk op-en-neer-geloop zijn en in kelder en tuin rijden wederom fietsjes. En de eetkamer, die zal vast en zeker het decor blijven van vele familiefeesten met heerlijke gerechten vers gemaakt in de aanpalende keuken. 
Ik kan me zonder enige moeite voorstellen dat onze va, als hij al deze gebeurtenissen van wie-weet-waar in 't oog houdt, ook heel breed en tevreden zit te glimlachen: het door door hem en ons moe met zorg gebouwde en door ons allemaal zo geliefde huis zal weer helemaal opleven en z'n taak opnieuw vervullen als heerlijke familie-thuis. En zo hoort het ook. :-)


(foto Eric Van Tichel - fotostudio A.A.I. Merksem)

zondag 5 juli 2015

To sing or not to sing, thàt is the question!

"En wanneer schrijf je nu eens iets over je zingen?" Dé vraag die ik steeds vaker te horen krijg van de lezers die van m'n blog genieten.
Tja, dat wil ik wel, maar er valt niets te vertellen...
Als de bladzijden van m'n concertagenda een landschap waren, dan zagen ze er uit als eindeloze totaal lege kurkdroge vlaktes, met zo van die voorbij rollende tumbleweeds. En behalve het getsjirp van die ene verdwaalde krekel valt er niets te aanhoren, dus zeker ook geen muziek.
Sinds het begin van dit jaar luisterde ik welgeteld één uitvaart op. Da's alles. Geen concerten, geen missen, geen privéoptredens, geen huwelijken, geen feestjes, geen begrafenissen. Niks. Nul. Nada. Noppes. Nougabollen.
't Is alsof de wereld me vergeten is. 
En zonder enig idee wat er verandert zou kunnen zijn.
M'n hele leven lang bestaat elke vezel van m'n lijf al uit muziek. Zingen is ademen. En daar vocht ik elke dag opnieuw hartstochtelijk voor.
De muziek in mij overwon bezorgde ouders, onwelwillende leerkrachten, violente echtgenoten, beknottende situaties en beperkte financiën. Ook m'n eigen faalangst en tekort aan zelfvertrouwen moesten keer op keer willens nillens plaats ruimen. M'n instrument, m'n lichaam én stembanden, overleefde zelfs triomfantelijk een pak levensbedreigende operaties.
En ook zonder uit te groeien tot een overdonderd succes bleef zingen bijzonder belangrijk voor me. Het hield me in leven, het deed me leven, het wàs m'n leven. M'n allereerste en grootste liefde.
Zingen is en zal àltijd mijn heil en hoogste goed zijn, mijn drug, mijn alles.
Het is begrijpelijk hoe dodelijk pijnlijk deze plotse stilte, dit abrupte ophouden, voor me voelde en hoe ik in een echte identiteitscrisis belandde.
Wie ben ik nog als ik niet meer 'Kristina-de-zangers' ben?!?!...
'Kristina-de-receptioniste' misschien? Of 'Kristina-die-een-blogje-schrijft'? Of alleen nog 'het-wat-wereldvreemde-poezen-en-bloemen-mevrouwtje'?...
Het kostte behoorlijk wat moeite, maar voor nu laat ik het los. 
Je kan jezelf een ongeluk piekeren over waarom de muziekwereld duidelijk niet (meer) op je zit te wachten. Wat je eventueel misdeed, of waar je fout afsloeg, of wie of wat je over het hoofd zag. En of je wel genoeg aan de weg timmerde, of je wel hard genoeg werkte, en of je er wel intens genoeg naar verlangde. Wie weet was je dan toch té sympathiek, lief, warm en toegewijd. Je kan zelfs gaan twijfelen of je wel écht die geweldige stem bezit waarvan je dacht dat men ze wou horen... Het maakt allemaal totaal geen enkel verschil.
Als m'n muzikaal leven hier echt ophoudt, dan blik ik terug op zeer veel mooie momenten met bijzondere muziek en geweldige muzikanten, en ben ik, met honderden geweldige herinneringen, oprecht dankbaar voor wat was.
Daarmee bedoel ik niet dat ik me er dan maar 'gewoon' bij neer leg. Nee, hoor, bijlange niet. Muziek is en blijft voor altijd een onlosmakelijk belangrijk deel van mijn identiteit. En m'n stem kan nog zeker 20 jaar mee, die zal er dus nog steeds stààn als de mogelijkheden zich eventueel toch weer opnieuw voordoen. 
En al is hartverscheurend om afstand te moeten nemen, of wie weet uiteindelijk zelfs afscheid, van iets wat m'n hele persoon en leven vormde en absoluut m'n alles is, ik tracht me voorlopig met dezelfde overgave op de andere facetten van mijn bestaan te richten. Met treuren, klagen en bij de pakken blijven zitten kom je nergens. Morgen is altijd weer een nieuwe dag! En je weet nooit wat voor spectaculairs die nog met zich meebrengt!.. ;-)


 'Hexenlied', F. Mendelssohn-Bartholdi
Concert 'Tussen Pijpen en Toetsen', 14 september 2014
Foto Ivo Herwijn
Kristina op Youtube