Posts tonen met het label nacht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nacht. Alle posts tonen

donderdag 18 februari 2021

Gewekt door de bel.

't Is twee uur 's nachts en ik slaap al enkele uren warm ingestopt in m'n roze bed. De plots schallende deurbel, die in de stilte van het duister tien keer luider klinkt, rukt me abrupt weg uit dromenland. Ik schrik zodanig dat ik, totaal van mijnen à propos overeind zittend tussen de vele kussens, vrees dat ik het me ingebeeld heb. Voor alle zekerheid hijs ik me zuchtend in m'n sloffen, grabbel m'n knalroze kamerjas van de kapstok en schuifel enigszins verward richting voordeur. De videofoon geeft beeld en het lichtje staat op blauw: er heeft dus inderdaad toch iemand aangebeld! Om twee uur 's nachts! Maar er is niemand te zien op het beeld. Even wacht ik achter m'n voordeur of er ondertussen misschien iemand anders opendeed en ik door het spionnetje mogelijk iemand de lift in zie stappen. Niks. Volledige nachtelijke stilte. Het gebouw slaapt. "Bizar", denk ik bij mezelf, drink een slok water in de keuken en slof moe terug richting warme lappen.
Nog maar net raakt m'n zitvlak de matras als opnieuw m'n deurbel de rust aan flarden schreeuwt. Met in mijn achterhoofd al direct allerlei scenario's van diverse noodsituaties -in 't gebouw, met de familie, vrienden,...- trek ik een kort sprintje richting videofoon. Opnieuw zie ik slechts een stuk van het gebouw en geen persoon op de videofoon. Ik druk de knop om te spreken in en vraag luid en duidelijk een aantal keer "Hallo! Hallooo! Is daar iemand?!"
Buiten het beeld zegt een mannenstem nogal kortaf en ongeduldig: "Doe eens open!" Geen introductie, geen 'pardon' of 'goedenacht'. Niks van dat. Slechts een snibbig "Doe eens open!" Ik antwoord vriendelijk maar kordaat dat ik om twee uur 's nachts niet zomaar voor gelijk welke vreemde de voordeuren van het gebouw open, en dat hij zich dan eerst maar eens kenbaar moest maken! Er verschijnt een jongeman met halflang zwart haar en een kleurige trui in beeld. Meteen begint hij een verwarrende uitleg over 'op één of andere verdieping wonen', 'ergens een deur opengelaten te hebben' en 'sleutels zoeken'. Alles door elkaar met halve zinnen en, omdat hij niet vlak voor de microfoon praat en bovendien geen seconde stil staat, bijzonder moeilijk te verstaan. De helft van zijn explicatie ontgaat me volledig. 
Ik reageer met "Maar ik ken u helemaal niet, ik heb u nog nooit gezien." Dat geeft eigenlijk geen uitsluitsel, want ik ken echt niet iederéén die hier woont, zoveel volk, en 't wisselt hier ook nogal eens... Maar, zo om twee uur 's nachts: vooral zo weinig mogelijk risico nemen! Door mijn overduidelijke argwaan verliest de jongeman, zenuwachtig en licht verhit als hij van in 't begin al was, nu pas helemaal zijn geduld en schreeuwt: "Verdoeme, loemp wijf, doet die deur open! Ge zijt toch de conciërge veur iet, of wa! Stoeme trut!" 
Ik trek bijzonder grote ogen -goed dat die videofoon maar ik één richting beeld geeft- maar repliceer zelfzeker met een grimmige kalmte en duidelijk voelbare ingehouden koleire dat ik ten eerste de conciërge niet ben, maar de búúrvrouw van de conciërge, een buurvrouw die om twéé uur 's náchts gewoonlijk, zoals de meeste normale mensen, diep in slaap is; en ten tweede, dat als hij wil dat ik of de conciërge of gelijk wie voor hem de voordeuren van 't gebouw open, dat hij dan echt wel onmíddellijk een héél stuk beleefder mocht zijn, want dat hij anders sowieso buiten op de trap kon blijven staan!
Bon, veel hielp het niet, dat voelde ik zo. 'k Had kunnen zeggen wat ik wou, het maakte weinig verschil. Die gast zou vermoedelijk de ganse nacht blijven aanbellen, bij mij of bij zowat iedereen in 't gebouw -kan hem het wat schelen-, of erger... Dus na zijn totáál onoprecht gemompelde "Sorry voor 't storen, mevrouw" heb ik toch de deuren maar geopend. Door het spionnetje van mijn persoonlijk voordeur zag ik hem duidelijk heetgebakerd met grote passen richting lift stappen. Hij rukte de liftdeur open en... bleef staan, met de deur in z'n hand. Hij bewoog een paar keer heen en weer: één voet in de lift, terug een stap achteruit, en opnieuw, en nog eens. Bizar! Heel bizar! Tot slot besloot hij -god mag weten wat er zo beangstigend aan of in de lift was dat het hem belette om in te stappen, ik ben niet gaan kijken- om toch maar liever met de trap naar boven te gaan. Ik zag hem op z'n slippers de hoek om gaan en bleef, een beetje m'n kluts kwijt, nog even achter m'n voordeur staan om het hele voorval toch minstens een klein beetje uitgesorteerd te krijgen in m'n hoofd.
Terug in m'n ondertussen al afgekoelde bed -zo jammer- wou de slaap niet meer komen. Bruusk midden in de nacht gewekt worden, daar kunt ge behoorlijk van slag van zijn, hé. En even stevig en op de koop toe geheel onterecht uitgescholden worden, dat helpt ook niet echt. Daar bovenop ging mijn soms veel te verbeeldingskrachtige brein zwaar worstelen met gedachten als 'wie heb ik nu eigenlijk binnengelaten?', 'zou die hier wel echt wonen?', 'als er nu maar geen criminele feiten gepleegd worden door die vent!', 'heb ik m'n buren nu in gevaar gebracht?!'... Allé ja, te zot om los te lopen eigenlijk, 'k weet het, maar toch... Ik neem mijn verantwoordelijkheid altijd, hé, en 'k ben immer bezorgd over het welzijn van zowat ál mijn medemensen. Niks aan te doen, zo zit ik gewoon in elkaar.
En wat doe je dan, als je midden in de nacht klaarwakker zijt, en uw kopke u niet met rust laat? In mijn geval: achter de computer kruipen en over de hele geschiedenis een blogje schrijven! Uit elke situatie iets positiefs destilleren! Woeha! 't Zal wel zijn, zo kent me ondertussen toch al een beetje, hé?! Voilà dus, bij deze, speciaal voor u: alweer nieuw spannend leesvoer! Joepie!
Ondertussen is het al voorbij vier uur in de ochtend. Mijn lijf is doodop en mijn nek schreeuwt om rust. 'k Ga nog even, om mijn brein te sussen, extra checken of m'n voordeur goed op slot is en dan zal slapen zo stilaan toch wel weer lukken, denk ik. En, mocht dit verhaal alsnog een staartje krijgen, dan schrijf ik dat uiteraard ook nog voor u neer! Beloofd! ;-)

Epiloog:
Klokslag 9 uur vanochtend wekte dezelfde deurbel me opnieuw uit een bijzonder diepe slaap. Van 't verschieten plakte ik zowat tegen het plafond van de slaapkamer. "Nondedoeme, daar is 'em terug!!!" was 't eerste dat er met lichte paniek door m'n hoofd schoot, maar 'k realiseerde me gelukkig bijna onmiddellijk hoe laat het al was. De immer vriendelijke en superbeleefde mannen van Rentokil, die voor de controle van de verplichte muizenvallen altijd bij mij hun ronde starten, stonden voor de deur. 'k Ben toch nog maar efkes terug gaan liggen na hun snelle inspectie, ... om me, iets na 10, opnieuw een klein hartattackske te verschieten van de plots rinkelende telefoon!... 'k Ben dus een beetje groggy en halfgaar vandaag. Maar dat gaat wel weer over met eens een nachtje goed slapen. ;-)



dinsdag 27 augustus 2019

Onrustig nachtje.

'k Ben een beetje groggy vandaag... Ik loop maar wat te suffen. Veel te weinig, en vooral ook slecht, geslapen vannacht. Kleine oogjes nu en wreed moe. En nee, niet alleen door die zoveelste hittegolf.
Omdat het zo heet is, bleef ik gisterenavond wat langer wakker, lekker nog alle vensters open, hopend op dat kleine beetje lucht -liefst wat frissere- en genoot van een laatavondfilm op de televisie. Rond half één was die afgelopen en vond ik het toch stilaan tijd om op z'n minst een poging tot slapen te ondernemen. Met het geluid van de televisie uit viel het me extra op dat er erg veel en bijzonder vreemde geluiden uit de garage kwamen. Geluiden die ik niet echt thuis kon brengen. Het hield een beetje het midden tussen een slijpschijf, een frees en een schuurmachine... En er klonken geanimeerde, drukke, en best wel luide stemmen doorheen. Mannenstemmen, meende ik. "Tja, thuiskomen in 't midden van de nacht op een weekdag, al dan niet met een stevig stuk in uwe kraag... Ieder z'n eigen goesting, hé..." zei ik tegen mezelf, er niet veel meer van denkend. De grote venster in de woonkamer sluitend schrok ik van een plots aan het terras voorbijsnellende figuur: een jongeman, in een duidelijk vrolijke bui, ondertussen een paar keer na elkaar breed grijnzend "Sorry, mevrouw!" roepend. Even later passeerde hij opnieuw, in de andere richting, zijn opgeblonken excuses herhalend. Ik bekeek hem even bedenkelijk, met één wenkbrauw opgetrokken, ge kent die blik wel. Ondanks het feit dat de tuin absoluut verboden terrein is voor iedereen, gelijk wie, zie ik hier, en zeker op een wat later (lees avondlijk/nachtelijk) tijdstip wel vaker 'volk' voorbij komen. Maar, melden helpt geen ene zier, politie bellen of zo ook niet, dus ik heb me daar de afgelopen jaren wat bij neergelegd en het zuchtend geaccepteerd... Zolang ze aan de andere kant van het terrasmuurtje blijven en er niet overheen kruipen, of erger: proberen m'n huis binnen te dringen, ça va. 

Ondertussen weerklonk er echter vanuit het inkomhalletje aan de liften, vlak voor mijn persoonlijke voordeur dus, behoorlijk wat commotie. Het was een overduidelijk komen en gaan van jongemannen, heen en weer tussen de grote inkomhal en de kelder, waarvan de trap zich naast mijn appartementsdeur bevind. Getater en gedoe, en met daar doorheen een toename in kracht van dat vreemde geluid dat ik reeds eerder hoorde. Een paar keer had ik me naar het spionnetje in m'n deur gehaast om te kijken of ik wat zag, maar was steeds nét te laat. De klok wees ondertussen al voorbij 1 uur aan. Met enige ongerustheid trachtend hier een touw aan vast te knopen keek ik peinzend door het grote raam naar buiten vanuit m'n ondertussen donkere woonkamer en... zag opnieuw die kerel van eerder lustig voorbij snellen. Heen en weer. En ook nu schalde hij daarbij jolig "Sorry, mevrouw! sorry mevrouw!"
Bon, dat was er dus over voor mij.
In een welgemikt moment zonder 'verkeer' op de gang sloop ik naar de conciërge. Jammer genoeg: geen gehoor daar. Misschien sliepen ze al, en dan heel erg diep. (Het weze ze van harte gegund!) Misschien waren ze simpelweg niet thuis. Dat kan en mag ook, hé.
Het onbekende geluid duurde echter onverminderd verder, en in mijn veel te ijverige verbeelding sloeg er, daar beneden in de garage, één of andere bende op z'n minst een dozijn of twee autobanden en een vrachtwagen fietsen scheef, en werd de ene na de andere kelder open geprutst en leeggeplunderd...
Na nog een klein moment van twijfel belde ik dan toch maar de Blauwe Lijn. De man aan de andere kant van de telefoon noteerde gelaten mijn duidelijk en rustig relaas. Het adres ook natuurlijk. En m'n naam en telefoonnummer. Vervolgens wou hij weten of ik die kerels kende, en of ze in het gebouw woonden. Wel, voor zover er door het spionnetje al iets te zien viel, moest ik hem dat antwoord schuldig blijven. Geen idee. Echt niet. Ook niet wat betreft die kerel in de tuin. En of ik die mannen had bézig gezien, in de kelder en de garage? Ja, hallo, ik ga m'n nek niet riskeren om even te gaan kijken, hé, zeker niet zo midden in de nacht, en als vrouw alleen... De agent -of de telefonist, dat laat ik in het midden- noteerde en zou alles doorgeven aan de juiste afdeling. En dat was het. Gesprek klaar. En ik voelde mij een beetje als zo'n overgevoelig bejaard madammeke dat eeuwig loopt te klagen over de jeugd van tegenwoordig: beleefd aanhoort en te woord gestaan, maar uiteindelijk als onbelangrijk geklasseerd... En ja, stom van mij misschien: ik vergat te vragen of er dan nog iemand langs ging komen. Och, vermoedelijk had die man aan de andere kant van de lijn daar ook geen sluitend antwoord op gehad. Wie weet hoeveel van die oproepen er zo bij de Blauwe Lijn binnen lopen op één nacht. Oproepen, die, goed mogelijk, zoveel dramatischer en dringender zijn... De politie kan ook maar z'n best doen, hé.
Alleszins, ik wachtte. En wachtte. En wachtte. Op den duur niet eens meer goed wetende waarop eigenlijk. Op het vertrek van die kerels? Op het weerkeren van de nachtelijke rust en stilte? Op de politie?... Van gaan slapen was voorlopig sowieso geen sprake, dat begrijp je ook wel. Dus speelde ik een spelletje op de computer. En nog eentje. En nog eentje...
En terwijl ik zo zat te wachten, op niets eigenlijk, werd ik boos. Ont-zet-tend boos. Jarenlang -zo ongeveer de helft van m'n volwassen leven- stond ik doodsangsten uit in wat m'n eigen veilige thuis had moeten zijn (door een paar vreselijke relaties, details doen er hier niet toe). Zelfs toen ik dit appartement -mijn hele eigen, 100% persoonlijke stekje, helemaal voor mij alleen- kocht, heb ik vele jaren met mezelf gevochten om dat veiligheidsgevoel te veroveren. En nu ik me echt goed voel hier, en thuis, en veilig... Wou ik nu écht toelaten dat 'men' mij opnieuw zo ver heen zou krijgen dat ik terug hele dagen en nachten ging zitten bibberen van grote schrik en niet durfde te gaan slapen en al dat soort dingen meer; en dan nog wel in m'n eigen huis, die enige, unieke plek waar ik me écht geborgen zou moeten voelen?!?!... Die gedachte maakte me gewéldig kwaad. Razend zelfs. En als ik zó kwaad ben, dan word ik ijzig kalm, indrukwekkend beheerst en onbarmhartig sterk vanbinnen. En, ook 
bloedlink ook, vermoed ik...
Met die in pure kracht omgezette woede ben ik naar buiten gestapt, m'n voordeur uit. En met die bijna vanzelfsprekende moed vanbinnen confronteerde ik die gasten, die juist de keldertrap ophoog kwamen. "Seg, mannekes," zei ik, met de uitstraling van een niet tegen te spreken moeder met een onbetwistbaar gezag, "wat zijde gullie hier in gódsnaam allemaal aan 't doen, seg, zo midden in de nacht?! Al dat kabaal en al dat heen en weer geloop! Wilt ge daar eens stantepede mee ophouden, ja. Er zijn hier mensen die willen slapen, hoor! Stopt ermee, gasten, en ga naar huis, ga slapen." Allemaal zonder enige stemverheffing, en een -by the way bijzonder goed aanvoelend- niet te ontkennen innerlijke rust en autoriteit. 
Blijkbaar waren er al een paar kerels gepasseerd, want ik zag er nog maar twee. De eerste gast, een grote koddige dikkerd, ik schat hem een jaar of 14, 15, durfde me niet eens aankijken. Heel z'n houding en gelaatsuitdrukking was één grote schuldbekentenis. Ja, die wist héél goed dat wat hij daar deed niet koosjer was. De jongeman, vlak na hem, wat ouder, met een zeer verzorgd uiterlijk, en een netjes getrimd ultrafijn ringbaardje, verontschuldigde zich op alle mogelijke manieren, volgens zijn zeggen niet beseffend dat ze zoveel kabaal maakten en met een veelvuldig, buitengewoon beleefd "Sorry, mevrouw!" verzekerde hij me dat ze 'direct weg zouden zijn'. (Iets wat even later -OEF- ook daadwerkelijk gebeurde!...) En hij wandelde op z'n dooie gemak naar de grote inkomhal, met in z'n ene hand een 2 literfles lachgas in een houder, en in z'n andere hand een blauwe ballon, die hij met tussenpozen aan z'n mond zette om vervolgens diep te inhaleren.
Dát was dus al die commotie geweest: een stel jongeren die hier een 'rustig plekje' zochten/vonden, om, met de laatste nieuwe methode in het scoren van een roes, 'gezellig' samen high te worden! En ja,
 je zou kunnen opperen dat het 'gelukkig' maar dát was... Maar toch... Alleszins, geen idee waar ze vandaan kwamen. Geen idee hoe ze zijn binnen geraakt. Geen idee of dit het begin van ik weet niet wat is... 
Rond ongeveer half vier legde ik eindelijk m'n moede hoofd op m'n zachte roze kussens te rusten. En om negen uur belde men mij al terug uit m'n nest. (Nee, 't was niet de politie. Daar heb ik niets meer van gehoord.) 'k Ben dus een beetje groggy vandaag. Ik loop maar wat te suffen. Veel te weinig, en vooral ook slecht, geslapen vannacht. Kleine oogjes en super moe. En het kwam niet door die zoveelste hittegolf. Al die kan nu gelukkig wel dienen als fantastisch excuus om het voor de rest van de dag heeeeeeel erg kalm aan te doen. 😉

dinsdag 1 januari 2019

Vuurwerkgeknal, poezenverdriet.

Met het zachtjes grijs en besprenkeld door motregen aanbreken van de ochtend op de eerste dag van het nieuwe jaar keerde ook de zo gekoesterde rust en stilte terug. Eindelijk. Een diepe en tevreden zucht van opluchting ontsnapte me. De voorbije nacht was zwaar en vooral eindeloos lang geweest.
Terwijl ik me in m'n ééntje met wat lekkers en een netjes uitgeschonken trappist in de zetel voor de televisie nestelde, barstte bij de buren het feestgedruis los. Het opgewekte gebabbel, met meer dan aanstekelijke lachsalvo's ertussen, wisselde af met al snel half dronken en dus nogal onvaste zangpogingen. De ambiance zat er stevig in, dat was behoorlijk duidelijk. Op zeker moment meende ik zelfs een vrolijke polonaise door de inkomhal te horen dansen. En het welgemeend hartelijke, doch nogal bulderende 'Happy New Year' om middernacht in het trappenhuis en halletje, die hebben ze vast tot op 't 14e gehoord. Maar, gezellig, hoor! Niks op aan te merken. Ja echt, daar heb/had ik allemaal totaal geen probleem mee. Dat moet kunnen, zo eens één keertje in een jaar ferm feesten, zeker in zo'n bijzondere nacht. Niet dan?! Och, da's toch gewoon leuk.
Nee, mijn zorgen lagen elders. Al de hele afgelopen week schrok de buurt met grote regelmaat op door luide knallen. Rare individuen zijn het, hoor, die ongeduldigen, die niet tot middernacht van 31 december kunnen wachten met ontploffen en hun vuurwerk alvast dágen op voorhand 'uitproberen'... En dan meestal nog overdag ook. Dan zié je daar toch helemaal niets van! Of vergis ik me daarin?... Tja, 't zal de kick van de knal zijn, of zo iets, veronderstel ik... Of het stiekeme, iets doen wat niet mag. Zelf, op eigen houtje, zomaar in het wilde weg, vuurwerk afsteken is in heel groot Antwerpen namelijk volledig verboden, en niet alleen op oudejaarsavond. En da's uiteraard voor sommige mensen een 'uitdaging', hé...
Als je in een buurt woont waar regelmatig een stukje drugsoorlog uitgevochten wordt, dan vraag je je trouwens bij elke fikse knal toch even af of het een te vroeg ontstoken vuurpijl was, of mogelijk weer een ergens lukraak binnen gesmeten handgranaat. En een pittige 'pop pop pop' serie of minutenlang ge-'retteketetteketet' kan net zo goed van een semi-automatisch vuurwapen komen waarmee men één of andere gevel of auto aan flarden schiet, als van een lading vers ontstoken vurige voetzoekertjes... Maar ook hiervan lig ik -voorlopig toch- niet echt wakker.

Wat me echt ongerust maakte, waren de twee poezen Poekie en Pompon. Bij elke luide knal -ik schrok me er zelf vaak serieus een hoedje van- nam hun angst een stukje toe, tot op het punt dat ze van puur ellende steeds weer al hun eten over gaven en niet eens meer op de kattenbak durfden. Twee bibberende zenuwzieke bolletjes pluis, verstopt ergens diep onder m'n bed. En de afgelopen week kon ik ze met veel liefde en nog veel meer geduld, wat snoepjes en een paar onweerstaanbare spelletjes uiteindelijk meestal wel overhalen toch tenminste mij weer een beetje te vertrouwen. Maar zo'n volledige nacht, zo'n eindeloos lange duisternis, waarin de explosies urenlang aanhouden... Pffft. Tja, dan is er niks meer aan te doen. Ik kan hun ellende niet meer beter maken. 't Is wachten tot het over is. En al heb ik in vergelijking met vorige jaren hier in mijn directe buurt opvallend minder vuurwerk gezién, de hele nacht lang, van al vroeg in de vooravond tot ver in de ochtend, mocht ik, zoveel meer dan ooit tevoren, een vreselijke, niet aflatende stroom van ontzettend harde -zoveel luider dan vroeger volgens mijn oren- ontploffingsgeluiden aanhóren.
Heel af en toe sloop er in de woonkamer als in een flits een schim van een poesje voorbij, 't buikje plat tegen de vloer, panische angst in de oogjes, op zoek naar een mogelijk nóg beter schuiloord -misschien was het onder de zetel toch veiliger dan onder het bed-, om dan bij de volgende knal als een bliksemschicht terug richting slaapkamer te verdwijnen. De arme beestjes. Ik had er echt vreselijk mee te doen.
Terwijl ik rond middernacht naar buiten stond te kijken, naar de veelkleurige vurige fonkelingen die overal om ons heen de nachtelijk lucht deden oplichten, gingen m'n gedachten naar die zovele andere dieren die, bevangen door angst, nu vermoedelijk ook niet wisten waar nog te schuilen. Zoveel katten, honden, paarden... Hoeveel vogeltjes zouden er van 't verschieten vannacht uit hun boom gevallen zijn? En de sierlijke kleine vleermuizen, die ik de nacht daarvoor nog vrolijk had zien rondfladderen. Die zaten nu vast ergens in een donker hoekje te bibberen van schrik, hun radarsysteem gegarandeerd volledig in de war, met als gevolg dus ook zonder eten vannacht...

O, geloof me, ik heb niks tegen vuurwerk. In tegendeel, ik kan er ook echt van genieten, van al die betoverende glinsterende kleuren, spetters en gensters breed uitwaaierend tegen het donkere hemelgewelf. Overweldigend feestelijk en onbeschrijfbaar prachtig. Maar, te veel is te veel. En dat geldt ook voor mooie dingen. Zoals vuurwerk. Dat moet écht niet al een volledige week van te voren, en 24 uur op 24, en op zowat élk plekje dat je kan bedenken... Een half uurtje, of desnoods een vol uur, ergens op één centrale plek, en er dan met z'n allen samen naar kijken, volstaat dat niet? Voor mij wel. En, zeker weten: voor m'n poezen ook.
Om half vier vannacht had mijn lichaam er genoeg van. Het wou niet langer rechtop blijven, het moest en zou neer liggen. Buiten schoten er links en rechts nog wat verdwaalde pijlen de lucht in, maar de frequentie was gelukkig al zoveel minder. Tijdens de steeds breder wordende rustpauzes tussen de gierende lachaanvallen en het occasionele lallend aanheffen van de zoveelste strofe van een ondefinieerbaar lied van de nachtje-door-doende buren dommelde ik zonder veel moeite stilaan dieper en dieper weg. Poekie en Pompon kropen, veilig dicht tegen me aan, mee onder de knusse lakens en dekens. Met het heel langzaam terugkeren van de vertrouwde zalige rust om ons heen, voelde ik hun lijfjes -begeleid van een ontzettend diepe zucht- eindelijk weer helemaal ontspannen.
Helemaal klaar met "plof, dreun, plets, baboem, knets, klap, pop, bonk, kaboem, pang, blaf, bam, bom, knal en retteketetteketet" zijn we echter nog niet, want zoals er elk jaar steevast een aantal personen veel te vroeg begint met 'knallen', zo is er ook steeds een handvol figuren die nog graag een tijdje door blijven gaan, toch zeker de eerstkomende dagen...
Och, weet je, het ergste is ondertussen alweer gepasseerd, het nieuwe jaar is aangevat, zonder echte ongelukken en met niet al te veel en gelukkig nog nét hanteerbare ellende, dus daar ga ik nu ook niet meer van wakker liggen. In tegendeel zelfs: vannacht slaap ik, al was het maar van puur moeheid, als een zich in rust, stilte en zaligheid wentelend roze roosje! Vermoedelijk met twee opnieuw gelukkige en relaxte pluizige poezenprinsjes naast me.
Gelukkig nieuwjaar, en slaap lekker! 😊





donderdag 1 november 2018

Griezelgedoe.

"Oké, wind, gij wint", zuchtte ik gelaten. Urenlang had ik, lekker knusjes tussen het roze beddengoed, vruchteloos getracht de slaap te vatten, maar dit was zo'n nacht waar menige afdeling 'geluidseffecten' makkelijk een stuk of dertien horrorfilms mee kon vullen. Het huiveringwekkende gepiep van een langst het raam wrijvende geraniumblaadje, het ijselijke gekras van boomtakken tegen raamkozijnen en muren, de occasionele onheilspellende bonk van een plotse onzachte botsing tussen hangmand en venster, het lugubere gerammel en jammerend geknars van het hangmanden-ophangsysteem met de metalen kettingen en grove haak, het spookachtige gezoef en gefluit van de zwaar over hun toeren draaiende, net niet opstijgende windmolentjes... In principe is alles wat op m'n terras staat en hangt bestand tegen een stevige windvlaag -die molentjes zijn trouwens zonder wind zoveel minder leuk, hé-, maar tegen al die op den duur behoorlijk angstaanjagende geluiden, voortkomend uit al het gewiebel en gezwaai in die stijve bries van die nacht, daar kon ík écht niet meer tegen. In mijn steeds meer doldraaiende fantasie zag ik al met veel gerinkel en glassplinters alom enkele van de enorme vensters sneuvelen, en grote potten en bakken vol stevige beplanting als lichte veertjes binnen- of wegvliegen. En wie weet wat er dan verder aan ongewenste en onaangename grimmigheden nog meer mee in m'n kamers of bed zouden belanden... 
Het was overduidelijk: als ik deze nacht nog een beetje wou pitten, en liefst nachtmerrie-vrij, dan moest er gehandeld worden. Niks aan te doen.
Heel voorzichtig kroop ik over Poekie heen. Poekie, die al die uren, lichtjes tot mijn afgunst, als een pluchen engeltje in m'n oksel heerlijk de slaap der onschuldigen en onwetenden had liggen weg snurken. Terwijl hij zich even wat verder uitstrekte, met zo plots een pak meer plaats én een extra warme plek, zocht ik in het pikkedonker m'n weg naar het terras. Slechts het flauwe schijnsel van de verre straatlantaarns flikkerde door de onheilspellend heen en weer graaiende takken van de kale skelet-achtige bomen en verlichtte m'n pad.
Met de wind viel duidelijk niet te praten, die ijzingwekkende nacht. Meteen bij het openen van het grote schuifraam naar het terras roeffelde hij furieus in m'n haren en rukte hij langst alle kanten verbeten aan m'n flapperende roze kamerjas en pyama. Het had wel iets avontuurlijks, iets opwindends ook, zo recht uit het warme nest, op m'n sokkenvoeten, volledig omgeven door een wat sinistere storm en een massa niet direct herkenbare spookachtige geluiden, een keertje in het duister tussen m'n potten en planten te laveren. Zo moet vliegen als een vleermuis in de nacht voelen, dacht ik nog.
Oké, even terug naar de job in kwestie: hoe gaan we dat hier aanpakken? Vier grote bolle hangmanden veilig ergens neerzetten op een toch al erg overvol terras, da's niet simpel. Vooral ook omdat ze, wegens sterk doorhangende geraniums, gegroeid naar het licht uiteraard, bijzonder zwaar overhellen naar één kant. De immer trouw tegenover de deur paraat staande bezem bleek een prima hulpmiddel om de ophangkettingen van de haak te flippen. Goeie ingeving van mij, al zeg ik het zelf. Als een expert van de hindernissenbaan bracht ik de eerste 2 loodzware manden met de lange, in de wind breed uitwaaierende plantenslierten, dan weer hoog over een struik tillend, dan weer gebukt onder wat takken door dragend, tot aan het brede bankje. En nadat ik eindelijk zo slim was m'n gezicht naar de windrichting te draaien -het werkt een stúk makkelijker zonder haar in je ogen en mond,- lukte het me om ze, elkaar in evenwicht houdend, op die kleine plek net stevig genoeg te balanceren.
Als een ware Indiana Jones soepel en vlotjes wild zweepslagzwiepende takken en grijpgrage struikenstekels ontduikend, verplaatste ik me gezwind over de hele lengte van het terras en redde onderweg links en rechts wat door baldadige rukwinden met omvallen of afknakken bedreigde planten. Uiteraard ken ik m'n terras en z'n layout ondertussen door en door, en als je lang genoeg in het donker rondloopt, passen je ogen zich langzaam aan en zie je na een tijdje een stuk meer, maar... blijkbaar toch niet genoeg, want... Aaaaauw! Potvernondemiljaaaaaaar! Mijn kleine teen, in die tegen niets beschermende sok, maakte keihard kennis met een stevige, plots van tussen de potten springende, meedogenloos onbuigzame sierkassei. Geen tijd voor eindeloze pijndansjes of overmatige griezelfilmsterfscenes. Er moesten nóg 2 hangmanden en een hele schare ander klein spul het leven gered en in veiligheid gebracht worden. Mand nummer 3 vond, super snel en praktisch, een knus uit de wind en half verborgen plekje op de rode emmer waar normaal gezien m'n snoeiafval in terecht komt. Dat was makkelijk! Te makkelijk?...
Jezus-Maria-Jozef, miljaaaaaardejuuu! Bij het zorgeloos onbedachtzaam omdraaien naar mand nummer vier trapte ik toch wel geweldig onhandig met m'n nog niet pijnlijke voet op die immer uitstekende, altijd in de weg zittende -ik had het kunnen weten dus- gekrulde voet van die elegante, maar o zo zware metalen platenstandaard. Wild molenwiekend m'n evenwicht bewarend belandde ik, gelukkig net niet al m'n gekoesterde groen verpletterend, toch half in de natte klauwen van het struikgewas. Takjes in m'n haar, blaadjes in m'n decolleté, modder in m'n sokken. M'n uiterlijk begon stilaan uitstekend bij deze griezelnacht te passen... En me dat bedenkend ging het binnensmonds gevloek volautomatisch over in een, mogelijk heksachtig aandoende, schaterlach. En de gore wind deed, met extra kracht m'n al totaal verwilderde haarbos recht omhoog de lucht in blazend, fanatiek loeiend mee. Voorzichtig schuifelend -2 pijnlijke voeten volstonden wel- zocht ik m'n weg terug naar binnen en gritste in 't voorbijkomen nog snel alle mogelijk kwetsbare molentjes mee. 
Wreed worstelend met die doldraaiende dingen bleef ik toch nog even op de mat voor het schuifraam in het dreigende duister midden in de onverbiddelijke stormwind staan. Daar zo, in m'n verwaaide nachtkleding en m'n puinhoopkapsel, voelde ik me heel eventjes weer als een kind: met m'n molentjes in de hand, zich van geen kwaad bewust vrolijk en kleurrijk tollend in die raadselachtige wind, was ik even angstig als gefascineerd, onverwacht nat en vuil, en behoorlijk zot geblazen, maar ook nog net niet klaar om dit ontzettend spannende, bijna filmische gebeuren los te laten en in te ruilen voor de warme veiligheid van die totaal tegenovergestelde wereld aan de andere kant van het grote schuifraam. 
Ja, wind, je hebt gewonnen, hoor, met al je lugubere 'gewind'. Je hebt me inderdaad een slapeloze nacht bezorgd én me op de koop toe uit m'n veilige knusse bed die koude naargeestige duisternis in gekregen. Maar nu de macabere horrorgeluiden tot zwijgen gebracht zijn en alle planten het leven gered, lig ik toch weer lekker terug naast Poekie, tussen de nog steeds zalig aanvoelende lakens en kussens, en bedenk me onheilspellend gniffelend, m'n gruwelijk ijzige handen wrijvend en met een mysterieuze glimlach op m'n bleke koude gelaat: "Geweldig! Meer dan genoeg griezelgedoe voor een licht huiveringwekkend Halloweenverhaaltje!..." 😀




zondag 2 september 2018

Time out.

Het klokje onder de televisie wijst 1u45 aan. Voor de tweede nacht op rij zit ik suffend in de zetel en tracht m'n hoofd op de minst pijnlijke manier bovenop m'n nek te balanceren. Nog langer in m'n knusse warme bed blijven liggen was alweer geen optie meer. De afgeknelde zenuwen in m'n nek bezorgden me niet alleen nog maar eens stekende hoofdpijn; hoe ik ook draaide of keerde, welke houding ik ook bedacht of uitprobeerde, het gevoel van twee stevig aangedraaide bankvijzen, ééntje boven en ééntje onder m'n elleboog, in m'n rechterarm kreeg ik er ook dit keer niet mee gestild. Ondanks doodmoe en ontzettend slaperig zat er niks anders op dan me, dik met tegenzin, uit het comfortabele nest te wringen en m'n strafste pijnstiller op te snorren; om dan, gehuld in een troostend zacht dekentje en nog steeds op automatische piloot zoekend naar die éne hoofd-nek-rug-houding die mogelijk wat verlichting brengt, half indommelend, in het donker poezen knuffelend, af te wachten tot de medicatie tijdelijk net genoeg verlossing biedt. Och, ik ken het ondertussen al wel, hoor. Het gebeurt immers nog. Vooral als ik me weer eens met volle goesting -'álles geven!'- ergens in gestort heb. En het hoeft niet eens iets spectaculair te zijn. Ik ken op voorhand wat de gevolgen...
Officieel gaat het goed met m'n nek en rug. De neurochirurg noemt de problemen zelfs 'gestabiliseerd'. En dat zijn ze ook. Tenminste, zolang ik zo goed als niks doe... En dan bedoel ik ook letterlijk 'niks', volledig en totaal niks.
En afgelopen week... deed ik vanálles! Zondag een tripje naar een groot tuincentrum, m'n nieuwe visjes kopen en lekker slenteren tussen al de vele fraaie planten en het mooie tuinspul. Maandag en woensdag liep ik, telkens met een andere vriendin, kriskras door de oude stad en heel de Meir op en af, winkel in, winkel uit, koffietje drinken, lunchen. Dinsdag hing ik zowat de hele dag achter m'n computer dringende ontwerpen voor kerst in elkaar te prutsen, en ondertussen draaide de wasmachine op volle toeren. Donderdag moest het huis uitgebreid gepoetst, kregen alle planten, zowel binnen als buiten uitgebreid verzorging, en er werd wat verpot en geplant, geveegd en opgeruimd. Vrijdag was grote-boodschappen-dag: inkopen doen voor de hele komende maand. Weliswaar voor een keertje 
geweldig luxueus met de auto -waarvoor dank, lieve vriendin-, maar je sleept nog altijd al dat zware spul uit de kofferbak, de trap voor het gebouw op en het appartement binnen, hé... Vrijdagnamiddag, bij dat laatste toertje met de fiets -nog even snel een paar glutenvrije broden inslaan- liet m'n onderrug plots weten dat de emmer vol was. Van het ene moment in het andere werd zelfs normaal stappen een ware hel en raakte ik, fietsend met de snelheid van een slome slak, nog nauwelijks thuis. 'Time out!', schreeuwde m'n lijf luidkeels, en dat was dat. Afgelopen. Geen discussie mogelijk. Point final.
O ja, 'k heb geweldig genoten van al m'n 'evenementen' afgelopen week, zélfs van het poetsen, maar zeg nu eerlijk: zo'n ontzettend straffe of knotsgekke toeren kun je het toch echt niet noemen, en zo verschrikkelijk veel is dat alles bij elkaar nu precies ook weer niet, hé, toch zeker niet voor zeven hele dagen! Goh, waar is de tijd dat ik al deze dingen zo vanzelfsprekend vond, en vermoedelijk ook met gemak in maximum 48 uur samen propte?
Medisch gezien ben ik ondertussen al lang weer 'goed genoeg' bevonden om terug werk te zoeken, of toch alleszins een klein beetje dan. Maar hoe lang zou het duren voor m'n toestand weer razendsnel verslechterd, voor ik opnieuw regelrecht afsteven op de volgende zware operatie? Financieel gezien ben ik ondertussen zowat verplícht om hoogdringend werk te gaan zoeken, of toch minstens een klein beetje, want met m'n uitkering (waarvoor ik natuurlijk wél heel erg dankbaar ben, versta me vooral niet verkeerd!) lukt puur overleven nauwelijks. Maar ook dat solliciteren ligt niet voor de hand: m'n leeftijd werkt niet mee, m'n fysieke toestand uiteraard ook niet, m'n vele jaren ervaring blijken van weinig of geen tel, m'n kleurrijke en vrolijke verschijning past zelden in het plaatje, administratief werk voor 'één of twee dagen' is nagenoeg onvindbaar,... Pffft, wat een vicieuze cirkel. Het is een ware 'catch 22'.
Daarover zit ik dan allemaal wat slaperig na te denken, daar in de zetel 
in het flodderend gezelschap van m'n twee pluizige huisgenootjes, in het holst van de donkere nacht, m'n hoofd met gemillimeterde precisie balancerend, geduldig wachtend op de verdovende werking van de net ingenomen medicatie.
Maar misschien juist door dat pilleke, of door het wat suffe slaapkopke, ik weet het niet precies, verdwijnt het gepieker telkens langzaam op de achtergrond. Onverwacht genoot ik al twee nachten na elkaar een paar uur extra van die fantastische rust en vrede hier, zeker in die stille duisternis. Het felle maansikkeltje verlichtte exact één streepje woonkamer en achter de tuin twinkelen er altijd wel wat straatlampen. De filter van het aquarium murmelt zoals immer, zachtjes en onverstoorbaar, als ergens in de verte. De kalmte en harmonie van dat kleine stukje wereld om me heen sijpelen steeds weer tot m'n binnenste door, een zalige serene gemoedsrust daalt vertrouwd over me heen. En uiteindelijk, met de geknelde-zenuw-pijnen netjes verdoofd, slaap ik opnieuw, warm en geborgen tussen m'n vele knusse roze dekens en kussen, voor even zorgeloos, de slaap der onschuldigen. We zien wel wat er komt. En om dat allemaal weer aan te kunnen: voorlopig even niks en rusten. 'Time out'!... 😉




vrijdag 14 oktober 2016

Veel te zwaar en veel te vol, die handtas!

Met behoorlijk pijnlijke voeten van een lange en vermoeiende dag kwakkelde ik gisterenavond, na m'n repetitie met organist Jan Noordzij voor de concertmis volgende zondag, langst schaars verlichte straten te voet van het Antwerpse Zuid naar de Groenplaats, richting warm trammetje huiswaarts. Echt niet makkelijk, hoor, die hoge-hakken-kasseien-combinatie. 
Veilig voel ik me tijdens zo'n nachtelijke wandeling door de donkere stad al vele jaren niet meer, dus ondanks de overweldigende moeheid hield ik m'n directe omgeving zo scherp mogelijk en enigszins angstvallig in de gaten.
Een grappig gesprekje met een vriendelijke man op zoek naar een bankautomaat -die ik ook niet direct ergens wist zijn- en het aanstekelijk lachende en zingende zwarte gezelschap dat me even later passeerde stelden me toch een beetje gerust. Er lopen in het duister niet uitsluitend boeven rond.
Met een dosis herwonnen energie en een fijne glimlach op 't gelaat verder stappend zag ik vanuit m'n linkerooghoek, van half achter me, tot m'n grote schrik opeens een donkere gestalte van aan de overkant van de straat razendsnel op me af komen. Onmiddellijk gealarmeerd wisselde ik in dezelfde seconde m'n loodzware, van boeken, partituren en flesjes water uitpuilende handtas van m'n linkerhand naar m'n rechter, en zette me, zonder versnellen of vertragen doch met elke spier en elke zenuw strak gespannen, schrap voor een mogelijke aanval...
"Och, mevrouw, gene schrik. Veeeeeel te zwaar, die zak van u." stelde de volledig in het zwart geklede jongeman me met een warme stem en een stralende smile -wauw, die gaf nog nét geen licht, zo in de donkere nacht- gerust. En terwijl hij me fluks en vrolijk voorbij stuiterde hoorde ik mezelf als een rasechte komiek, ongelofelijk ad rem en al minstens even breed lachend -wie weet, misschien wel van pure opluchting- naar hem terug grappen: "Amai nog ni! Ge moest het eens weten!!!..."
Een paar meter verder draaide hij zich even terug naar me om. Nog steeds met die totaal ontwapenende lach en de woorden "Veeeel gemakkelijker, dit!" wees hij met brede gebaren op z'n eigen kleine platte vierkante mannen-saccocheke, dat hij ondertussen voor alle duidelijkheid hoog in de lucht stak. 
En vervolgens verdween die energieke jongeman met rasse, zelfzekere, bijna dansende schreden terug de schaduwen van de stad en z'n straatjes in, al net zo plots als hij er uit opgedoken was.
Heeft m'n -inderdaad serieus doorwegende- grote zwarte handtas me nu, wegens 'veel te zwaar om mee te vluchten', beschermd van een nare aanvaring met een dartele overvaller op zoek naar een makkelijke prooi?... Of was heel deze kleine historie het resultaat van mijn instinctieve, mogelijk een beetje té beschermende reactie op een, heel gewoon, bijzonder energiek de straat overstekende jongeman met een geweldig gevoel voor humor?... 
Op die vraag komt er gegarandeerd nooit een antwoord, maar ik heb wel weer een straf en ook best wel grappig verhaal te vertellen. Lang leve de veel te zware en overvolle saccoche dus! :-)



zaterdag 18 april 2015

Poezenknuffels en knuffelpoezen.

"Ség, allé, gij gaat mij toch ni knuffelen zekerst!!! Laat los, zeg ik u! Laat me loo-oos!" Telkens ik Poekie of Pompon van de vloer durf grabbelen voor een dikke poezenknuffel wriemelen ze zich onmiddellijk zacht doch met overtuiging uit m'n armen los. 't Zijn jongens, hé, én technisch gezien ook tieners... Flodderen met hun poezenmoeder? Dat had je gedàcht! No way!
En dat vind ik natuurlijk wel een beetje spijtig...
Pas op, ze zien me graag, hoor, en dat laten ze ook weten.
Tussen het wilde spelevechten, de opwindende jachtpartijen op god-mag-weten-wat en de eindeloze voetbal- en basketbalsessies door komt er altijd wel ééntje, lang uitgestrekt naast me op de zetel of op den bureau, even in de rapte onder z'n oksels of over z'n buikske laten wrijven, of toch minstens een vlugge aai over z'n bolleke halen. Of ik krijg, in 't voorbijgaan, bijna stiekem, een kopje. Maar verder is de boodschap duidelijk: aan ons lijf géén 'pakken en scharen'!
Tot het een uur of 3 's nachts is...
Rond dat tijdstip sluipt er, bijna elke nacht, iemand met zachte voetjes voorzichtig over het krakende dekbed om zich, altijd links van me, liefst in mijn open hand en ook graag zo dicht mogelijk bij mijn hoofd, half op het kussen, en al dan niet met van die knedende pootjes, tevreden ronkend te komen nestelen. Da's Pompon.
Op datzelfde nachtelijke moment wriemelt er zich, uitsluitend rechts van mij, meestal iets donzig zacht met een nat snuffelneusje en graaipootjes mee ónder datzelfde dekbed, om zich, al naar gelang hoe ik lig, tegen m'n rug of zijkant of in m'n oksel neer te ploffen. Soms her-legt hij zich een keer of 3, 4, om maar zo dicht mogelijk te liggen, liefst nog met een arm van mij stevig rond hem. Poekie dus.
Ja, het maakt me altijd even wakker... En ja, ik kan en mag daarna absoluut niet meer bewegen of anders gaan liggen... En ja, soms ik stel me de vraag of dat allemaal wel zo hygiënisch is...  
Voorlopig kan me dat allemaal niet schelen. In het donkerste van de nacht blijken m'n twee stoere ventjes dan toch nog een ietsiepietsie Kristina's kleine troeteltjes te zijn, en dat is alleen maar onmetelijk vertederend. ;-)